Parlementaire vraag nr. 783 van de heer Devlies van 09.05.2005
VRAAG 05/783
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 086, blz. 14998-15000
Aangifte aanslagjaar 2005 - Bewijskracht
VRAAG
Bij koninklijk besluit van 11 april 2005 hebben we kennis kunnen nemen van het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting zoals vastgelegd voor het aanslagjaar 2005. In tegenstelling tot voorgaande aanslagjaren bepaalt artikel 1 van dit koninklijk besluit dat het formulier uit twee onderdelen bestaat: een eerste onderdeel met als opschrift "Voorbereiding van de aangifte" en een tweede onderdeel met als opschrift "Aangifte in de personenbelasting".
Algemeen wordt aangenomen dat de aangifte in de personenbelasting geacht wordt juist te zijn (Com.IB92, art. 305/33).
Door de wijziging van de opmaak van het tweede onderdeel "Aangifte in de personenbelasting", is het niet ondenkbeeldig dat er verschrijvingen plaatsvinden bij het overschrijven van de gegevens van het eerste onderdeel naar het tweede onderdeel. We denken in het bijzonder aan omkering van cijfers of het gebruik van verschillende codes. Volgens de gegevens vermeld in het tweede onderdeel kunnen dergelijke verschrijvingen tot een hogere taxatie leiden.
Gelet op het feit dat het aangifteformulier voor het eerst uit twee onderdelen bestaat, rijzen volgende vragen ten aanzien van de bewijskracht van beide onderdelen.
1. Is het eerste onderdeel van het aangifteformulier "Voorbereiding van de aangifte" niet langer te beschouwen als een kladje zoals het exemplaar voor de belastingplichtige dat voorheen bij het officiële aangifteformulier werd gevoegd?
2. Is het aangifteformulier inzake personenbelasting zoals vastgelegd voor het aanslagjaar 2005 in zijn twee onderdelen één en ondeelbaar?
3. Is het eerste onderdeel van het aangifteformulier even officieel als het tweede onderdeel?
4. Is de bewijskracht van het eerste en het tweede onderdeel gelijkwaardig?
5. Wanneer de belastingplichtige vaststelt aan de hand van het aanslagbiljet dat de gegevens door de fiscus overgenomen uit het tweede deel van de aangifte niet overeenkomen met de gegevens van het eerste onderdeel en op basis hiervan oordeelt dat hij ten onrechte te veel belasting dient te betalen:
a) is de administratie bij het voorleggen van het eerste onderdeel van het formulier automatisch verplicht en zonder twijfel een ambtshalve ontheffing te verlenen via kohier;
b) keert ingevolge het adagium in dubio contra fiscum de bewijslast om zodat de fiscus moet bewijzen dat de gegevens genoteerd bij de codes op het eerste onderdeel niet juist zijn?
ANTWOORD (minister van Financiën, 08.07.2005)
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord te vinden op zijn vragen.
1. Aangezien artikel 1 van het koninklijk besluit van 11 april 2005 tot vastlegging van het model van het aangifteformulier inzake personenbelasting voor het aanslagjaar 2005 duidelijk stelt dat het aangifteformulier bestaat uit twee onderdelen waarvan het eerste onderdeel het opschrift "Voorbereiding van de aangifte " draagt, kan dat onderdeel niet louter worden beschouwd als een kladje.
2. Het aangifteformulier bestaat uit twee onderdelen die een geheel vormen doch materieel van elkaar kunnen worden gescheiden.
3. De twee onderdelen zijn beide gehecht aan het genoemde koninklijk besluit en zijn dus allebei officieel.
4 en 5. Hoewel het waar is dat de aangifte bestaat uit twee onderdelen die een geheel vormen, betekent dit niet dat aan die twee onderdelen dezelfde bewijskracht wordt toegekend. Volgens het gemeen recht heeft het onderdeel dat aan de administratie wordt toegezonden de bewijskracht van een onderhandse akte, wel te verstaan voorzover die aangifte geldig is.
Het onderdeel dat de belastingplichtige kan bewaren, heeft derhalve geen bijzondere bewijskracht, net zoals een ongeldige aangifte of het vroegere dubbel van de aangifte. Niettemin staat het de belastingplichtige vrij om eender welk ander bewijsmiddel aan te voeren ter ondersteuning van het genoemde document.
Bron: FisconetPlus
