Parlementaire vraag nr. 56006128C van de heer Vincent Van Quickenborne van 08.07.2025

Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2024-2025, CRIV 56 COM 161 d.d. 08.07.2025 blz. 19

De uitspraak van het Grondwettelijk Hof van 19 juni 2025 en het nieuwe artikel 444 WIB 92

VRAAG (van de heer Van Quickenborne)

Mijnheer de minister, u weet dat het Grondwettelijk Hof altijd op donderdag beslissingen neemt. Dat is altijd een boeiend moment, niet alleen in het Parlement. In het Parlement worden vragen gesteld en de antwoorden of niet-antwoorden volgen. Het Grondwettelijk Hof velt en maakt zijn uitspraken altijd op donderdag bekend. Het is dan uitkijken naar de webstek van het Grondwettelijk Hof. Dat deed ik, zoals elke week, ook op 19 juni.

Toen velde het Grondwettelijk Hof een arrest in verband met de belastingverhoging van minstens 10 % bij laattijdige aangifte. De vraag was of het grondwetconform is dat een individuele ambtenaar, gelet op het aftrekverbod in artikel 206 van het WIB, kan beslissen over de minimale belastbare grondslag dan wel over de verrekenbaarheid van verliezen.

In 2017 werd een regel ingevoerd waardoor als men een belastingverhoging van 10 % krijgt, de verliezen niet meer kunnen worden verrekend met de belastbare grondslag. Het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat er geen sprake is van ongrondwettigheid. Het heeft de fiscus dus gelijk gegeven.

Alleen is het zo, mijnheer de minister, dat het nieuwe artikel 444, dat voorligt in het kader van de programmawet, voorziet in een vermoeden van goede trouw. Dat vermoeden wordt echter uitgesloten indien er sprake is van een ambtshalve taxatie. Het betreft het fameuze artikel 351, dat mevrouw Verkeyn zeer goed kent. Artikel 351 voorziet in de mogelijkheid van een ambtshalve taxatie bij een laattijdige aangifte.

Mijnheer de minister, hoe wilt u, in navolging van het arrest van het Grondwettelijk Hof en gelet op de ontwerptekst van de programmawet en het nieuwe artikel 444 in de toekomst omgaan met de veelal zware sanctionering die voortvloeit uit een belastingverhoging van 10 % en de toepassing van het aftrekverbod van artikel 206 voor aangiftes die slechts enkele dagen te laat worden ingediend.

Ik heb intussen vernomen van de MR, een meerderheidspartij zoals u weet, van de heer Bouchez, dat men artikel 206 alsnog zou willen aanpassen, zodat de boete van 10 % voor een laattijdige aangifte waarvoor nog geen herinneringsbrief werd verstuurd alsnog kan worden verrekend. De MR zou artikel 206 dus opnieuw willen wijzigen, zodat de sanctie niet al te zwaar is en beperkt blijft tot de belastingverhoging van 10 %.

Hebt u plannen in die zin?

ANTWOORD (Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale loterij)

Mijnheer Van Quickenborne, ik begrijp dat het ambitieuze regeerakkoord voor u niet snel genoeg kan worden uitgevoerd.

Op pagina 47 van het regeerakkoord vindt u inderdaad de intentie terug om het aftrekverbod aan te passen. Net zoals zoveel andere hervormingen wil ik ook die hervorming nog voor het jaareinde in de commissie voor Financiën bespreken. De wettekst daarover is momenteel nog in voorbereiding.

Vincent Van Quickenborne: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw verwijzing naar het regeerakkoord. De vraag is of het regeerakkoord zo precies is dat met name de boete van 10 % alsnog zal kunnen worden verrekend. Dat lees ik niet expliciet in het regeerakkoord. Dat valt dus nog af te wachten.

U kunt echter al die miserie vermijden door artikel 444 van het WIB 92 dat via de programmawet wordt aangepast op de juiste manier te wijzigen. Ik heb u en mevrouw Verkeyn daarop gewezen. U volhardt echter in de boosheid. U zult op die manier voor nog veel meer miserie zorgen. Er zullen nog meer mensen naar de rechtbank stappen, omdat zij door het nieuwe artikel 444 zelfs geen beroep meer zullen kunnen doen op de goede trouw, bijvoorbeeld in het geval van een aangifte die enkele dagen te laat is.

Ik nodig u dus uit. Wij hebben morgen het debat in de plenaire vergadering over de programmawet. Ik wil u nu al aankondigen dat ik het thema opnieuw aan bod zal brengen. U zult het wellicht vernemen via uw medewerker. Het zal een debat zijn met beperkte spreektijd. Dat is positief voor u en voor iedereen. Er zullen echter wel rechtstreeks vragen worden gesteld aan de minister. Dat weet u ook. Een van mijn vragen zal uiteraard betrekking hebben op artikel 444 in relatie met artikel 351. Het wordt hopelijk een boeiend debat. Collega’s, de vragen zullen interessant zijn en hopelijk ook de antwoorden. Wij verwachten morgen ook veel kijkers voor de plenaire zitting.

Mijnheer de minister, alles draait echter om vertrouwen, zoals de heer Matheï, die hier nog steeds bij ons aanwezig is, ook heeft aangegeven. Over dat gegeven in de fiscaliteit zijn links en rechts in het Parlement het eens. Dat betekent vertrouwen geven, geen contractbreuk plegen, niet tegenover de kleine man en niet tegenover de ondernemer, en ervoor zorgen dat mensen die alles correct doen ook correct worden behandeld. Dat is helaas niet het geval met de programmawet die u morgen met ons zult bespreken.