Parlementaire vraag nr. 1848 van mevrouw Vanlerberghe van 25.01.2002

VRAAG 02/1848
Vr. en Antw., Senaat, 2002-2003, nr. 2-70, blz. 3921
Bull. nr. 842, pag. 2946-2952
Bepaling van de afschrijfbare waarde van een gebouw met grond - Ontvanger der registratie
VRAAG
Luidens een constante rechtspraak moet inzake inkomstenbelastingen bij de bepaling van de afschrijfbare waarde van een gebouw met grond de opsplitsing gebeuren aan de hand van een schatting waarbij terzelfdertijd zowel de waarde van de grond als de waarde van het gebouw moet worden gewaardeerd. Die dubbele of opgesplitste waardebepaling van de aankoopprijs moet worden gemaakt op het ogenblik van de aanschaffing. Die beide schattingswaarden mogen enkel in aanmerking worden genomen voor zover men er zich toe beperkt de verhouding in de waardebepaling te transponeren op de globale prijs.
Ingevolge toepassing van de artikelen 236bis en 289 van het Wetboek van registratierechten en de artikelen 335 en 336 WIB 1992 kan voor die waardebepaling de belastingadministratie een wettelijk beroep doen op de bekwame en objectieve medewerking van de bevoegde ontvanger der registratie.
Dit vertrouwelijk rapport van de ontvanger der registratie bevat naast de geschatte waarde en de aanduiding van de datum van schatting meestal ook de vergelijkingspunten die tot grondslag hebben gediend.
Inzake directe belastingen voldoet een bericht van wijziging reeds aan de wet van 29 juli 1991 houdende motivering van de bestuurshandelingen en aan artikel 346 WIB 1992 wanneer er alleen wordt verwezen naar het verslag van de territoriaal bevoegde ontvanger der registratie met betrekking tot de vaststelling van de fiscaal aanvaardbare afschrijvingen op gebouwde onroerende goederen.
Inzake registratie schrijven de van in maart 1975 daterende instructies voor dat aan de belastingschuldige die erom verzoekt steeds alle nodige ophelderingen moeten worden gegeven die zowel betrekking hebben op aangewende vergelijkingspunten als op alle andere elementen welke in beschouwing werden genomen om zijn gemotiveerde raming te verrichten.
Bij betwistingen inzake directe belastingen over het afschrijfbaar bedrag van de constructies stelt men evenwel de volgende tegenstrijdigheden vast:
a) bij een niet-akkoord op een bericht van wijziging van aangifte mogen bij toepassing van artikel 337, WIB 1992 blijkbaar geen vergelijkingspunten en geen inlichtingen uit dossiers van derden worden meegedeeld;
b) de inlichtingen van de ontvanger der registratie moeten aan de taxatieambtenaar worden gegeven zonder verplaatsing op het terrein;
c) er bestaan nagenoeg geen vergelijkingspunten waarbij de grond in bebouwde toestand afzonderlijk wordt verkocht en evenmin bestaan er vergelijkingspunten waarbij de gebouwen zonder de grond verkocht worden.
Kortom, de dubbele en opgesplitste raming gebeurt bij alle registratiekantoren in de praktijk dan ook nooit zoals strikt aanbevolen door de hoven van beroep. Bovendien geschiedt de becijfering van de afschrijfbare waarde van het gebouw in feite onopvallend door van de werkelijke aankoopsom steeds de geschatte waarde van de "grond" af te trekken.
1. Mogen in het kader van een behoorlijk bestuur en in het kader van de openbaarheid van bestuur (wet van 11 april 1994) de van de ontvanger der registratie ontvangen vergelijkingspunten van gronden in fase van de wijzigingsprocedure voortaan aan de belastingplichtige ter inzage worden meegedeeld door de administratie der Directe Belastingen en/of door de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit?
2. Welke gezamenlijke instructies ter voorkoming van aanhoudende betwistingen zult u binnenkort uitvaardigen opdat in het licht van de bepalingen van de artikelen 49, 52, 6°, en 61, eerste en tweede lid, WIB 1992 voortaan wel steeds de voorgehouden dubbele en opgesplitste waardebepaling zou gebeuren door de registratiekantoren op eenvoudig schriftelijk verzoek van de onderzoekende taxatiedienst?
3. Op welk ogenblik en binnen welke termijnen dient de ontvanger der registratie de (dubbele) schatting uit te voeren zowel inzake registratie (met plaatsbezoek) als inzake directe belastingen (uitsplitsing)?
4. Hoe dient voor de bepaling van het afschrijfbaar gedeelte van de constructies inzake directe belastingen te worden gehandeld wanneer er door het registratiekantoor globale tekortschattingen en/of prijsbewimpelingen werden vastgesteld al dan niet met goedkeuring van de belastingschuldige?
5. Welke minimale vermeldingen dienen zowel het bericht van wijziging als de gewone brief te bevatten waarvan sprake in het nr. 364/4 van het administratief commentaar van de inkomstenbelastingen 1992 over die dubbele en opgesplitste schatting?
6. In welke mate mogen of moeten de beide fiscale administraties in het licht van de bepalingen van artikel 340, WIB 1992 rekening houden met een dubbele schatting of de verhouding tussen de waarde van de grond en de waarde van het gebouw vastgesteld door een door de belastingplichtige zelf op zijn kosten spontaan aangestelde en erkende deskundige?
7. a) Binnen welke onderzoeks- of aanslagtermijnen kan een individueel en/of een stilzwijgend akkoord met betrekking tot voornoemde uitsplitsing voor de toekomst nog worden herzien wanneer blijkt dat er voorheen geen onderzoek en/of een onjuiste splitsing was uitgevoerd?
b) Dient naderhand de balans van de vennootschap te worden aangepast of dienen er overboekingen te gebeuren in de rubriek materiële vaste activa en in de rubriek afschrijvingen?
8. In welke mate kunnen de gezamenlijke bepalingen van artikel 361 en artikel 24, eerste lid, 4°, WIB 1992 in elk van de volgende jaren nog worden ingeroepen wanneer men weet dat in feite alleen het aspect "afschrijvingen" aan de basis van de fiscale discussies ligt?
ANTWOORD
1. Voor zover er geen uitzonderingsgronden aanwezig zijn om dit te weigeren heeft elke bestuurder in uitvoering van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (Belgisch Staatsblad van 30 juni 1994) het recht om een bestuursdocument ter plaatse in te kijken en er een kopie van te ontvangen.
2. Op basis van een vaste rechtspraak dient, voor de berekening van de afschrijfbare waarde van een gebouwd onroerend goed, de opdeling tussen de waarde van het gebouw en de waarde van de grond te gebeuren aan de hand van een schatting waarbij terzelfdertijd de waarde van de grond en deze van het gebouw wordt vastgesteld. Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven om de administratieve richtlijnen in die zin te verduidelijken.
3. Wanneer een ontvanger of hoofdcontroleur der directe belastingen een beroep doet op de ontvanger van de registratie voor de waardering van een onroerend goed, dient deze waardering van de grond en de constructie volgens interne instructies, bij wijze van advies "onmiddellijk en zonder kosten" te gebeuren.
Wat de controle van de prijs of de aangegeven waarde van onroerende goederen betreft inzake registratierechten zal de ontvanger van de registratie deze uitvoeren binnen de twee jaar na de registratie van de betreffende akte. Bij niet akkoord met een tekortschatting dient er immers binnen de voormelde periode een controleschatting genotificeerd te worden aan de verkrijgende partij.
4. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 61 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) kunnen de afschrijvingen in de door het geachte lid beoogde gevallen slechts als beroepskosten worden aangemerkt in de mate dat ze gegrond zijn op de aanschaffingsprijs.
Dit houdt in dat voor het vaststellen van de af te schrijven waarde, in geen geval rekening mag worden gehouden met de door het registratiekantoor vastgestelde tekortschattingen.
5. Het geachte Lid bedoelt vermoedelijk de bepalingen opgenomen in het nr. 346/4 van de Commentaar op het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (Com.IB 1992).
Strikt genomen worden geen minimale vermeldingen voorgeschreven. Het bericht van wijziging moet echter zodanig worden gemotiveerd, dat de betrokken belastingplichtige zich voldoende rekenschap moet kunnen geven van de cijfers, feiten en omstandigheden waarop de aanslag berust en aldus in de gelegenheid wordt gesteld ze te weerleggen en ertegen op te komen door tegenbewijs.
Artikel 346, vijfde lid, WIB 1992, bepaalt uitdrukkelijk dat de belastingplichtige ten laatste op de dag van de vestiging van de aanslag bij ter post aangetekende brief moet worden ingelicht enerzijds omtrent zijn opmerkingen waarmee de administratie geen rekening zal houden bij het vestigen van de aanslag en anderzijds omtrent de motieven die de beslissing van de administratie rechtvaardigen. Voormelde bepaling is in werking getreden vanaf 1 oktober 2000.
6. Voor de taxatieambtenaar vormen de bij de bevoegde ontvanger van de registratie ingewonnen inlichtingen slechts één van de beoordelingselementen. De belastingplichtige heeft steeds het recht er zijn eigen gegevens tegenover te stellen en de taxatieambtenaar moet ook met die gegevens rekening houden wanneer zij voldoende gestaafd zijn en redelijk voorkomen.
De ontvanger van de registratie is bij de schatting van onroerende goederen niet gebonden door de schatting van een door de belastingplichtige zelf op zijn kosten aangestelde deskundige, alhoewel het hem vrij staat met deze schatting rekening te houden.
7. Er wordt benadrukt dat het zonder meer aanvaarden van de aangifte, zonder enige verificatie, geen akkoord doet ontstaan. De bij het WIB 1992 bepaalde aanslagtermijnen zijn van toepassing.
Wanneer een akkoord werd gesloten dient de belastingplichtige latere fiscale aangiften te doen overeenkomstig dat akkoord.
8. Wanneer, in strijd met de boekhoudkundige of fiscale bepalingen, activabestanddelen werden ondergewaardeerd of passivabestanddelen werden overgewaardeerd, moeten deze bestanddelen worden behandeld als zogeheten "onzichtbare" reserves.
Het betreft onder andere in de onderneming gekomen of voorhanden gebleven activa die ten onrechte geheel of ten dele werden afgeboekt doordat zij overdreven afschrijvingen of waardeverminderingen ondergingen.
De aldus vastgestelde "onzichtbare" reserves moeten op grond van artikel 24, eerste lid, 4°, WIB 1992, onder de belastbare winst worden begrepen.
Wat het aanslagjaar betreft waarvoor die reserves belastbaar zijn, kan artikel 361, WIB 1992 bijgevolg van toepassing zijn.