Parlementaire vraag nr. 842 van de heer Benker van 02.09.1994
VRAAG 94/842
Vraag nr. 842 van de heer Benker dd. 02.09.1994
Bull. nr. 745, blz. 150
Belastingontwijking - Anti-rechtsmisbruikmaatregel - Herkwalificatie van een akte - Bezoldiging van bestuurder - Huur - Bezoldiging van werkend vennoot
VRAAG
De artikelen 4 en 5 van de "wet houdende fiscale en financiële bepalingen" van 28 juli 1992, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 1992, hebben een belangrijke wijziging aangebracht inzake de regels die van toepassing zijn op de belasting op de huurgelden die een bestuurder van een aandelenvennootschap of een werkende vennoot in een personenvennootschap door zijn vennootschap(pen) aan zichzelf laat uitbetalen.
Om te vermijden dat een groot aantal bestuurders of vennoten ten onrechte een fiscaal voordeel zouden genieten door een abnormaal hoog gedeelte van hun bezoldigingen als huurgeld aan te merken, voegde de wet aan de artikelen 32 en 33 van het WIB 92 een derde lid toe, dat bepaalde dat die abnormale hoge huurgelden zouden worden belast als bezoldigingen van bestuurders of van vennoten in zoverre zij meer bedragen dan vijf derden van het gerevaloriseerd kadastraal inkomen. Daarop wordt een geplafonneerd forfait van slechts vijf pct. toegepast. Van het gedeelte dat niet als huurgeld wordt aangemerkt kunnen de kosten in verband met het verhuurde onroerende goed niet worden afgetrokken.
Vóór deze wettelijke bepaling echter voor het eerst toepasbaar werd, namelijk voor het aanslagjaar 1994, werd binnen het bestuur van de Directe Belastingen gezegd dat, als men aan deze maatregel wil ontsnappen, het voldoende is het goed aan een derde te verhuren, een familielid bijvoorbeeld, die het dan op zijn beurt onderverhuurt aan de vennootschap waarin de eigenaar van het onroerend goed de functie van bestuurder of van werkend vennoot uitoefent.
In 1992 heeft u besloten de wet te wijzigen. Bent u nu van plan deze wet aan te passen om te beletten dat sommige belastingplichtigen even moeiteloos de belasting gaan ontwijken zodat deze wetgeving echt doeltreffend kan worden ?
ANTWOORD
In verband met het opzetten van een systeem om te ontsnappen aan de herkwalificatie van de zogenaamde huurexcedenten als beroepsinkomsten door een onderverhuringscontract af te sluiten tussen enerzijds de bestuurder of de werkende vennoot en anderzijds een derde vennootschap, veroorloof ik mij het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat ik gegeven heb op een gelijkaardige vraag gesteld door senator Daerden (Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 119 van 2 augustus 1994, blz. 6323 - Bull. 743) waarin ik hem erop wees dat die juridische constructie onder toepassing kon vallen van de algemene anti- rechtsmisbruikbepaling die ingevoegd is in artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Vraag nr. 842 van de heer Benker dd. 02.09.1994
Bull. nr. 745, blz. 150
Belastingontwijking - Anti-rechtsmisbruikmaatregel - Herkwalificatie van een akte - Bezoldiging van bestuurder - Huur - Bezoldiging van werkend vennoot
VRAAG
De artikelen 4 en 5 van de "wet houdende fiscale en financiële bepalingen" van 28 juli 1992, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 juli 1992, hebben een belangrijke wijziging aangebracht inzake de regels die van toepassing zijn op de belasting op de huurgelden die een bestuurder van een aandelenvennootschap of een werkende vennoot in een personenvennootschap door zijn vennootschap(pen) aan zichzelf laat uitbetalen.
Om te vermijden dat een groot aantal bestuurders of vennoten ten onrechte een fiscaal voordeel zouden genieten door een abnormaal hoog gedeelte van hun bezoldigingen als huurgeld aan te merken, voegde de wet aan de artikelen 32 en 33 van het WIB 92 een derde lid toe, dat bepaalde dat die abnormale hoge huurgelden zouden worden belast als bezoldigingen van bestuurders of van vennoten in zoverre zij meer bedragen dan vijf derden van het gerevaloriseerd kadastraal inkomen. Daarop wordt een geplafonneerd forfait van slechts vijf pct. toegepast. Van het gedeelte dat niet als huurgeld wordt aangemerkt kunnen de kosten in verband met het verhuurde onroerende goed niet worden afgetrokken.
Vóór deze wettelijke bepaling echter voor het eerst toepasbaar werd, namelijk voor het aanslagjaar 1994, werd binnen het bestuur van de Directe Belastingen gezegd dat, als men aan deze maatregel wil ontsnappen, het voldoende is het goed aan een derde te verhuren, een familielid bijvoorbeeld, die het dan op zijn beurt onderverhuurt aan de vennootschap waarin de eigenaar van het onroerend goed de functie van bestuurder of van werkend vennoot uitoefent.
In 1992 heeft u besloten de wet te wijzigen. Bent u nu van plan deze wet aan te passen om te beletten dat sommige belastingplichtigen even moeiteloos de belasting gaan ontwijken zodat deze wetgeving echt doeltreffend kan worden ?
ANTWOORD
In verband met het opzetten van een systeem om te ontsnappen aan de herkwalificatie van de zogenaamde huurexcedenten als beroepsinkomsten door een onderverhuringscontract af te sluiten tussen enerzijds de bestuurder of de werkende vennoot en anderzijds een derde vennootschap, veroorloof ik mij het geachte lid te verwijzen naar het antwoord dat ik gegeven heb op een gelijkaardige vraag gesteld door senator Daerden (Bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 119 van 2 augustus 1994, blz. 6323 - Bull. 743) waarin ik hem erop wees dat die juridische constructie onder toepassing kon vallen van de algemene anti- rechtsmisbruikbepaling die ingevoegd is in artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Bron: FisconetPlus
