Parlementaire vraag nr. 509 van de heer Hatry van 01.10.1993

VRAAG 93/509

Vraag nr. 509 van de heer Hatry dd. 01.10.1993


Bull. nr. 738, blz. 1129

Herkwalificering door de administratie - "Sale en lease back" - Rol van de Commissie voor boekhoudkundige normen

VRAAG

Artikel 344, § 1, van het WIB 1992 voert voor de administratie de mogelijkheid in om een handeling of afzonderlijke handelingen die een zelfde verrichting tot stand brengen, opnieuw te kwalificeren.

Een van de klassieke financieringstechnieken van de ondernemingen is de "sale and lease back"-techniek. Het gaat daarbij om twee afzonderlijke handelingen die ontegenzeglijk een zelfde verrichting tot stand brengen.

Mag ik de geachte minister vragen of de administratie zich op de nieuwe bepaling zal beroepen om dit soort verrichtingen te bekritiseren en om die verrichting systematisch te herkwalificeren als een eenvoudige lening van een leasingverstrekker aan een leasingnemer ?

Zal de administratie niet beweren dat zij op die manier enkel maar het gemeen recht toepast, namelijk artikel 3 van het koninklijk besluit van 30 december 1991 tot wijziging van artikel 12, § 2, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen en van sommige uitvoeringsbesluiten van die wet en dat tot doel heeft de meer- of minderwaarde die ontstaat bij de verkoop van het goed door de toekomstige leasingnemer te neutraliseren ? Daardoor zou de administratie terugkomen op het standpunt dat zij heeft ingenomen in de circulaire van 8 juli 1993 waarin de administratie ervan uitgaat dat beide handelingen, de verkoop en de leasing, op fiscaal gebied los van elkaar staan.

Meer algemeen zou ik ook de volgende vraag willen stellen. In het verslag aan de Koning dat het bovenvermeld besluit voorafgaat, wordt aangekondigd dat de regering de Commissie voor boekhoudkundige normen de opdracht gegeven heeft andere situaties te bestuderen "waarin verschillende afzonderlijke rechtshandelingen zijn opgenomen in een enkele overeenkomst (...) waarop de civielrechtelijke regels inzake kwalificatie en interpretatie van overeenkomsten (...) van toepassing zijn".

Ik van zo vrij mij af te vragen of hier - om de uitdrukking van een auteur over te nemen - geen sprake is van enige "perversie". Krachtens de algemene regel die wil dat de fiscale regeling de boekhoudkundige regeling volgt, zou de kwalificatie in de praktijk immers tot stand komen via de adviezen van de Commissie voor boekhoudkundige normen of - formeler - via de boekhoudkundige reglementering zelf.

Mijn vrees wordt nog aangewakkerd wanneer ik vaststel dat de commissie in een van haar recente adviezen verklaart dat zij erop toeziet dat voor alle beslissingen met een financiële weerslag overleg gepleegd wordt met de bevoegde administraties of met het kabinet van de minister, in het bijzonder via die commissieleden die uit de hogere ambtenaren van de fiscale besturen benoemd zijn. Op die manier creëert men een situatie waarin de strekking van de fiscale wetgeving niet alleen bepaald wordt door een koninklijk besluit, wat op zich reeds in strijd lijkt met artikel 110 van onze Grondwet, maar - erger nog - ook voor de adviezen van een commissie die weliswaar bestaat uit deskundige personen, doch die geen verantwoordelijkheid draagt.

Graag vernam ik hoe de minister denkt over dit tweede probleem. Hij is immers een van de ondertekenaars van de koninklijke besluiten die betrekking hebben op de boekhoudkundige reglementering en de hoge ambtenaren naar wie ik heb verwezen, maken deel uit van zijn departement.

ANTWOORD

Krachtens artikel 344, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) kan aan de administratie der Directe Belastingen niet worden tegengeworpen, de juridische kwalificatie door de partijen gegeven aan een akte alsook aan afzonderlijke akten die een zelfde verrichting tot stand brengen, wanneer de administratie door vermoedens of door andere in artikel 340, WIB 92 vermelde bewijsmiddelen vaststelt dat die kwalificatie tot doel heeft de belasting te ontwijken, tenzij de belastingplichtige bewijst dat die kwalificatie aan rechtmatige financiële of economische behoeften beantwoordt.

Het aanwenden van artikel 344, § 1, WIB 92 moet dus slechts in de gevallen van belastingontduiking worden overwogen. Evenwel zijn de tot nu toe ontwikkelde misbruiken door midden van de zogeheten "sale and lease back"-overeenkomsten fiscaal geneutraliseerd voorheen door een bepaling, ingevoerd met betrekking tot de beroepskosten (art. 50, 8°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen - WIB), en nadien, sinds de opheffing van die bepaling, door de invoering van het nieuwe stelsel van de gespreide belasting van bepaalde meerwaarden (art. 32sexies, WIB, dat art. 47, WIB 92 is geworden). In dat opzicht wordt gemeend te moeten onderstrepen dat het nieuw stelsel in werkelijkheid verhindert dat men zich uitsluitend houdt aan artikel 3 van het betrokken koninklijk besluit van 30 december 1991.

Het door het geachte lid aangehaalde advies van de Commissie voor boekhoudkundige normen is in het bulletin nr. 30 van februari 1993 gepubliceerd. De commissie herinnert daarin aan haar taak die enerzijds bestaat uit de regering en het Parlement op hun verzoek of uit eigen beweging van advies te dienen, en anderzijds, door middel van adviezen en aanbevelingen bij te dragen tot de ontwikkeling van de leer van het boekhouden en de beginselen te bepalen van een regelmatige boekhouding. De bemoeiingen van de commissie zijn hoofdzakelijk van boekhoudkundige aard.

In het voormelde advies wijst de commissie er, naast de door het geachte lid weergegeven verklaring, op dat zij geen advies verstrekt wanneer de gestelde vraag betrekking heeft op een juridische en boekhoudkundige constructie die hoofdzakelijk fiscaal lijkt ingegeven. Zij voegt eraan toe dat wanneer de gestelde vraag verband houdt met de boekhouddoctrine en het algemeen belang er voldoende uit blijkt, zij een advies geeft maar volstrekt niet ingaat op de kwalificatie van de verrichting in fiscaal-rechtelijk opzicht. De commissie is dus, volgens haar eigen bewoordingen, niet bevoegd in belastingzaken; zij wil in haar adviezen geenszins interfereren in de bevoegdheden en prerogatieven van de belastingbesturen. Daarom weigert zij adviezen te geven over fiscale aangelegenheden.

Na die verduidelijking is het volkomen wettig om, wanneer de commissie een advies verstrekt, op fiscaal gebied rekening te houden met de door haar gedane analyse van een situatie ten aanzien van de uitsluitende principes die de boekhoudwet en de boekhouddoctrine regelen, zodra de toepassingsvoorwaarden van artikel 344, § 1, WIB 92, vervuld zijn, te weten dat de administratie vaststelt dat in die situatie de juridische kwalificatie, die de partijen haar tegenwerpen, ertoe strekt de belasting te ontwijken en ontdaan is van elk geldig economisch doel.