Parlementaire vraag nr. 127 van de heer Dupré van 24.10.1995

VRAAG 95/127
Bull. nr. 758, pag. 127
Inkomstenbelastingen - Voorheffing - Voorafbetaling - Terugbetaling - Moratoriuminteresten
Wanneer een aanslag wordt gevestigd, verliezen de met die aanslag verrekende voorheffingen en voorafbetalingen hun voorlopig karakter en worden definitieve belastingen. Wanneer op die aanslag een ontheffing wordt toegestaan, weigert de administratie tot nu toe moratoriuminteresten te betalen op de terugbetalingen ingevolge de ontheffing, indien de ontheffing aangerekend werd op de voorafbetalingen of voorheffingen. Zij doet dit alhoewel de belastingplichtige in de periode tussen de aanslag en de ontheffing niet over de ontheven bedragen heeft kunnen beschikken.
Op 7 september 1995 heeft het Hof van Cassatie een arrest gewezen, waarbij het besliste dat in die situatie toch moratoriuminteresten moeten betaald worden. Aldus werd het door de administratie ingestelde verzoek tot verbreking van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen verworpen. In uw antwoord op vraag nr. 808 van 1 augustus 1991 van de heer Cortois (Bulletin der belastingen, nr. 708, blz. 2095) deelde u mee dat de administratie haar standpunt in deze zou herzien "mocht het Hof van Cassatie zich bij voortduur in dezelfde termen als die van het arrest-Pleysier uitspreken".
Is het nu niet aangewezen het administratief standpunt aan te passen? Op die manier zou vermeden worden dat enkel goed ingelichte belastingplichtigen die in de mogelijkheid zijn een lange gerechtelijke procedure te betalen, moratoriuminteresten betaald krijgen.
ANTWOORD
Gelet op enkele recente arresten van het Hof van Cassatie, waaronder het arrest van 7 september 1995 waarnaar het geacht lid verwijst, heeft de administratie beslist haar standpunt inzake de toekenning van moratoriuminteresten bij terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen te herzien.
Na grondige analyse van de rechtspraak van het Hof van Cassatie is de administratie thans van oordeel dat voor de toekenning van moratoriuminteresten het hiernavolgend onderscheid moet worden gemaakt.
1. Terugbetaling van het overschot van voorheffingen en/of voorafbetalingen als bedoeld in artikel 304, § 2, Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (afgekort WIB 92).
Dit overschot dat ontstaat na de verplichte verrekening van de voorheffingen en/of voorafbetalingen bij de vestiging van de aanslag, wordt aan de betrokken belastingplichtige teruggegeven zonder toekenning van moratoriuminteresten, gelet op artikel 419, 2°, WIB 92.
2. Terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen ingevolge een ontheffing die aan een belastingplichtige wordt verleend nadat deze een geldig bezwaar heeft ingediend tegen een aanslag die binnen de in de artikelen 353 en 354, WIB 92 bepaalde termijnen is gevestigd.
In 2 arresten van 7 september 1995 heeft het Hof van Cassatie thans ondubbelzinnig gesteld dat voorheffingen en/of voorafbetalingen door de verrekening bij de vestiging van de aanslag, hun aanvankelijk karakter verloren hebben om dat van eigenlijke belasting te verwerven. Bij dergelijke terugbetaling zullen bijgevolg in principe opnieuw moratoriuminteresten worden toegekend.
3. Terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen ingevolge een ambtshalve ontheffing die in uitvoering van artikel 376, WIB 92, binnen de in artikel 371, WIB 92, bepaalde termijnen voor het indienen van bezwaar of beroep, wordt verleend.
Omdat voorheffingen en/of voorafbetalingen geacht worden het karakter van eigenlijke belasting te hebben verkregen na hun verrekening bij de vestiging van de aanslag (zie punt 2), zullen bij de terugbetaling in principe eveneens moratoriuminteresten worden toegekend.
4. Terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen ingevolge een ambtshalve ontheffing die in uitvoering van artikel 376, WIB 92, na het verstrijken van de in artikel 371, WIB 92, bepaalde termijnen voor het indienen van bezwaar of beroep, wordt verleend.
Gelet op artikel 419, 2°, WIB 92, kunnen bij dergelijke terugbetaling geen moratoriuminteresten worden toegekend.
5. Terugbetaling van voorheffingen en/of voorafbetalingen (na bezwaar of ambtshalve) omdat geen aanslag is gevestigd of omdat de aanslag is gevestigd na het verstrijken van de in de artikelen 353 en 354, WIB 92, vastgelegde termijnen.
Dergelijke terugbetaling zal geen aanleiding geven tot toekenning van moratoriuminteresten op grond van artikel 418, WIB 92. Volgens een constante rechtspraak van het Hof van Cassatie vindt artikel 419, 2°, WIB 92, immers niet enkel toepassing wanneer een gedeelte van de voorheffingen en/of voorafbetalingen wordt terugbetaald maar ook wanneer ze geheel of worden terugbetaald omdat er geen aanslag is gevestigd of omdat de aanslag te laat is gevestigd. Het Hof is van oordeel dat in dergelijke gevallen geen belasting verschuldigd is en dat de voorheffingen en/of voorafbetalingen bijgevolg nooit het karakter van belasting kunnen verkregen hebben (Cassatie 29 oktober 1987 inzake NV Bank Nagelmackers, Bulletin der belastingen, nr. 675, blz. 1536; Cassatie 14 april 1989 inzake Ghysels, Rechtskundig Weekblad 1989-1990, blz. 400; Cassatie 12 oktober 1989 inzake Dessales, Arresten van het Hof van Cassatie 1990, blz. 198; Cassatie 19 februari 1993 inzake Van der Borght, Bulletin der belastingen, nr. 740, blz. 1513; Cassatie 18 november 1993 inzake Dawlat, Arresten van het Hof van Cassatie 1993, blz. 961; Cassatie 23 maart 1995 inzake Saive, "Journal des Tribunaux" dd. 21 oktober 1995, blz. 666; Cassatie 7 september 1995 inzake Soetaert, nog niet gepubliceerd).
Een circulaire waarin het standpunt van de administratie wordt toegelicht, zal eerlang gepubliceerd worden. Ook de administratieve commentaar op de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zal aangepast worden aan de gewijzigde rechtspraak inzake de toekenning van moratoriuminteresten.