Parlementaire vraag nr. 633 van mevrouw Pieters van 21.03.2001

VRAAG 01/633
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 134, blz. 16809-16817
Bull. nr. 833, pag. 193-203
Alternatieve geneeskunde - Beroepsgeheim - Onderzoeksdaden - BTW-tarieven
VRAAG
Manuele therapeuten, chiropractors, osteopaten, voetreflexologen en homeopaten beoefenen de alternatieve geneeskunde en verstrekken bijzondere therapieën.
Inzake osteopathie, chiropractie en homeopathie voorzien de meeste erkende ziekenfondsen nu zelfs reeds in de gedeeltelijke terugbetaling van de behandelingskosten indien aan specifieke voorwaarden is voldaan.
Uit fiscaal oogpunt rijzen echter zowel inzake BTW als inzake directe belastingen de onderstaande algemene praktische vragen.
1.
a) Is het de beëdigde en vastbenoemde fiscale AOIF-ambtenaren van de beide sectoren onbeperkt toegelaten inzage en kopieën te nemen van alle medische dossiers aangelegd door die alternatieve genezers of therapeuten?
b) Zo ja, op grond van welke wettelijke bepalingen mag het recht op (medische) privacy en het medisch geheim toch integraal worden geschonden door alle onderzoekende BTW- of belastingambtenaren?
2.
a) Mogen alle fiscale ambtenaren onbeperkt inzage nemen van het afsprakenboek zowel bijgehouden in agendavorm als op een geautomatiseerde wijze?
b) Mogen zij die agenda's ook zonder meer meenemen?
c) Mogen zij de computeragendagegevens (= programma's en bestanden) integraal kopiëren en eventueel zonder toelating zomaar meenemen?
d) Welke officiële en geactualiseerde stukken moeten de fiscale ambtenaren aan de belastingplichtige voorleggen om zich afdoende en rechtmatig als controleagent te identificeren?
3.
a) Vallen al deze gezondheidskundige verrichtingen integraal onder de werkingssfeer van de Belgische BTW-vrijstellingen waarvan sprake in artikel 44, § 1, 2°, en/of § 2, 1°, van het BTW-Wetboek?
b) Zo neen, om welke gegronde redenen kunnen al die medische verzorgingen of behandelingen desgevallend niet volledig en definitief van BTWworden vrijgesteld?
c) Welk BTW-regime ondergaat daarentegen de eventuele doch eerder zeer uitzonderlijke verkoop van alternatieve geneesmiddelen of kleine materialen en medische lectuur?
4.
a) Welke verplichte dagboeken, kwitanties, betalingswijzen, ontvangstbewijzen, getuigschriften en/of andere verantwoordingsstukken moeten elk van die verschillende belastingplichtigen telkens bijhouden of uitreiken:
- inzake BTW (= indirecte belastingen);
- inzake directe belastingen (personen en vennootschapsbelasting)?

b) Aan welke specifieke vormvoorschriften of vereisten beoordeeld in het licht van de bepalingen van artikel 340 van het WIB 1992 moet elk van hun boekhoudingen respectievelijk voldoen?
c) In welke precieze mate gelden voor iedere alternatieve specialiteit de bepalingen van de artikelen 320 en 321 van het WIB 1992?
d) Welke eventuele soort ontvangstbewijzen en modellen van dagboeken gedrukt door erkende drukkers moeten telkens worden aangewend door elk van die alternatieve medische disciplines?
5.
a) Mogen zij alle uitgaven met betrekking tot vakcursussen en vakliteratuur die verband houden met de verdere verrijking van hun algemene geneeskundige beroepskennis in zowel de alternatieve als de reguliere of klassieke geneeskunde, die in wezen één nauw verwant geheel vormen inzake gezondheidszorgen, als een fiscaal aftrekbare beroepskost in mindering brengen zoals bepaald bij artikel 49 van het WIB 1992?
b) Zo neen, om welke gegronde redenen niet?
6. Kan u terzake uw algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de wettelijke en reglementaire bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en van alle beginselen van een behoorlijk en klantvriendelijk bestuur?
ANTWOORD
1. Inzake de belasting over de toegevoegde waarde (BTW).
Krachtens artikel 60, § 1, van het BTW-Wetboek dienen de boeken en stukken waarvan het BTW-Wetboek of de ter uitvoering ervan gegeven regelen het houden, het opmaken of het uitreiken voorschrijven, te worden bewaard door hen die ze hebben gehouden, opgemaakt of ontvangen.
Belastingplichtigen en niet-belastingplichtige rechtspersonen zijn tot die verplichting ook gehouden ten aanzien van de facturen of de als zodanig geldende stukken in verband met de intracommunautaire verwervingen van goederen of met de in het buitenland verrichte aankopen, van de handelsboeken, de boekingsstukken, de contracten, de stukken met betrekking tot de bestelling van goederen, van de rekeninguittreksels, van de betalingsstukken, alsmede van de andere boeken en stukken met betrekking tot de uitgeoefende werkzaamheid.
Overeenkomstig artikel 61, § 1, eerste lid, van het BTW-Wetboek is eenieder gehouden de boeken en de stukken, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de ambtenaren van de administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft, zonder verplaatsing, ter inzage voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting te zijnen name of ten name van derden te kunnen nagaan.
Gelet op wat voorafgaat kan inzage worden gevraagd van de medische dossiers aangelegd door de betrokken belastingplichtingen voor zover die inzage nodig wordt geacht om de juiste heffing van de BTWten name van die belastingplichtigen of ten name van derden na te gaan.
Wanneer de medische dossiers door middel van een geïnformeerd systeem worden gehouden, kunnen de ambtenaren van de administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft, de belastingplichtige verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies van de bedoelde dossiers te maken onder de door hen gewenste vorm (BTW-Wetboek, artikel 61, § 1, tweede lid).
Anderzijds moeten de in die dossiers vermelde individuele gegevens die gevat zijn door het medisch geheim niet worden meegedeeld. Het behoort derhalve aan de betrokken belastingplichtige toe om zich op een zodanige wijze administratief te organiseren dat hij kan voldoen aan de voorleggingsverplichting van artikel 61 van het BTW-Wetboek zonder de gegevens die vallen onder het medisch geheim mee te delen. Deze laatste gegevens mogen bijvoorbeeld onleesbaar worden gemaakt.
Inzake de inkomstenbelastingen.
Artikel 315, eerste en derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), welke respectievelijk betrekking hebben op de verplichtingen die de belastingplichtige heeft inzake het voorleggen en het bewaren van boeken en bescheiden, beogen alle boeken en bescheiden die noodzakelijk zijn voor het bepalen van het bedrag van zijn belastbare inkomsten. De desbetreffende bepalingen hebben betrekking op alle boeken en bescheiden waarvan het gebruik verplicht is, alle boekhoudkundige boeken en bescheiden, alsook alle andere boeken en bescheiden die kunnen dienen tot het vaststellen van de belastbare inkomsten. De voor te leggen en te bewaren boeken en bescheiden kunnen dus niet op een beperkende wijze worden gedefinieerd.
Bovendien kunnen de taxatieambtenaren, krachtens artikel 315bis, WIB 1992, wanneer die boeken en bescheiden door middel van een geïnformatiseerd systeem worden gehouden, opgesteld, toegezonden of bewaard, de belastingplichtige verzoeken om in hun bijzijn en op zijn uitrusting kopies te maken van het geheel of een gedeelte van de gegevens, in de door hen gewenste vorm.
Derhalve kan ook inzake inkomstenbelastingen, op grond van de voormelde bepalingen, de voorlegging van de medische dossiers worden gevraagd indien dit noodzakelijk zou blijken.
Anderzijds gelden de regels inzake het medisch geheim, zoals hiervoor uiteengezet inzake BTW-, eveneens met betrekking tot de inkomstenbelastingen.
2. Inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
Rekening houdend met de voormelde bepalingen van artikelen 60 en 61 van het BTW-Wetboek mogen de ambtenaren van de administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft, inzage nemen van het afsprakenboek van de betrokken belastingplichtige en dit ongeacht of het afsprakenboek wordt bijgehouden in agendavorm of op een geïnformatiseerde wijze. Deze inzage situeert zich in het kader van het onderzoek van de juiste heffing van de BTW te zijnen hoofde.
Het bepaalde in het laatste lid van punt 1 (inzake BTW) is mutatis mutandis van toepassing.
Overeenkomstig artikel 61, § 2, van het BTW-Wetboek, hebben de ambtenaren van de administratie die de BTW onder haar bevoegdheid heeft, het recht om de boeken en stukken die overeenkomstig artikel 60 moeten worden bewaard, alsmede de overeenkomstig artikel 61, § 1, tweede lid, gemaakte kopies, tegen afgifte van een ontvangstbewijs te behouden, telkens wanneer zij menen dat de boeken, stukken of kopies de verschuldigdheid van de BTW of een geldboete in hoofde van de betrokkene of van derden aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen.
Dat recht bestaat niet ten aanzien van de boeken die niet zijn afgesloten. Wanneer die boeken door middel van een geïnformatiseerd systeem worden bewaard, hebben de ambtenaren het recht zich kopies van die boeken te doen overhandigen onder de door hen gewenste vorm.
De ambtenaren die bevoegd zijn om de toepassing van de BTW te controleren, moeten tijdens het uitoefenen van een controle steeds in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs.
Inzake de inkomstenbelastingen.
Gelet op de bepalingen van de artikelen 315 en 315bis, WIB 1992, mogen de ambtenaren belast met de verificatie van de inkomstenbelastingen, in het kader van hun opdracht, inzage nemen van het afsprakenboek van de betrokken belastingplichtige, ongeacht of het afsprakenboek wordt bijgehouden in agendavorm of op een geïnformatiseerde wijze.
De controlerende ambtenaren moeten tijdens het uitoefenen van een controle in het bezit zijn van hun aanstellingsbewijs.
3. De BTW-vrijstelling bedoeld in het artikel 13, A, 1, c), van de richtlijn 77/388/EEG, is onderworpen aan een dubbele voorwaarde. De diensten moeten kunnen worden gekwalificeerd als gezondheidskundige verzorging van de mens maar dienen bovendien te worden verstrekt in de uitoefening van een medisch of paramedisch beroep.
Zo zijn in België, overeenkomstig artikel 44, § 1, 2°, van het BTW-Wetboek, de diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen, verplegers en verpleegsters, verzorgers en verzorgsters, ziekenoppassers en ziekenoppassters, masseurs en masseuses, van wie de diensten van persoonsverzorging zijn opgenomen in de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen inzake verplichte ziekteen invaliditeitsverzekering, vrijgesteld van BTW.
De in voormelde bepaling gestelde vrijstelling, die gebonden is aan de hoedanigheid van onder meer artsen of kinesitherapeuten, geldt eveneens ten aanzien van de prestaties verricht door manuele voetreflexologen en homeopaten voor zover deze personen houder zijn van het diploma van dokter in de geneeskunde of van kinesitherapeut.
Indien deze personen niet de titel van arts of kinesitherapeut hebben, zijn hun prestaties onderworpen aan de BTW tegen het normale tarief dat thans 21 % bedraagt.
Ten aanzien van de door het geachte lid genoemde goederen zijn volgende BTW-tarieven van toepassing:
a) Producten die geregistreerd zijn als geneesmiddel door het ministerie van Volksgezondheid of die geregistreerd zijn als geneesmiddel overeenkomstig de Europese registratieprocedure inzake geneesmiddelen, zijn onderworpen aan het BTW-tarief van 6 % (toepassing rubriek XVII, cijfer 1, a) en c), van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 inzake BTW-tarieven). Bepaalde homeopatische producten worden geregistreerd als geneesmiddel door het ministerie van Volksgezondheid overeenkomstig een speciale vereenvoudigde regisa) tratieprocedure. De op die manier geregistreerde homeopatische producten kunnen dus ook het BTW-tarief van 6 % genieten.
b) Door het geachte lid als "alternatieve geneesmiddelen " omschreven producten die niet zijn geregistreerd in de zin van punt a) hiervoor, kunnen eveneens het BTW-tarief van 6 % genieten voor zover het producten voor orale menselijke consumptie andere dan dranken zijn (toepassing inzonderheid rubriek X van tabel A van de bijlage bij het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 20). Alle niet als geneesmiddel geregistreerde bereidingen die niet bestemd zijn voor orale menselijke consumptie zoals bepaalde zalven en dergelijke bereidingen voor uitwendig gebruik, zijn daarentegen onderworpen aan het normale BTW-tarief, dat thans 21 % bedraagt.
c) Klein medisch materiaal is in de regel onderworpen aan het normale BTW-tarief dat thans 21 % bedraagt. Wanneer het evenwel gaat om goederen die genoemd worden in rubriek XVII of rubriek XXIII van tabel A van de bijlage bij het voormeld koninklijk besluit nr. 20, is het verlaagd BTW-tarief van 6 % van toepassing (bijvoorbeeld orthopedische toestellen of watten, gaas, verband en dergelijke artikelen zoals zwachtels en pleisters, mosterdpleisters, enz. geïmpregneerd of bedekt met farmaceutische zelfstandigheden of opgemaakt voor de verkoop in het klein voor geneeskundige of voor chirurgische doeleinden).
d) In de veronderstelling dat de door het geachte lid beoogde "medische literatuur" betrekking heeft op tijdschriften, boeken, brochures en dergelijk drukwerk, is het verlaagd BTW-tarief 6 % hierop van toepassing, voor zover het wel te verstaan geen drukwerken zijn die voor reclamedoeleinden worden uitgegeven of die hoofdzakelijk bedoeld zijn voor het maken van reclame en zodoende dan onderworpen zijn aan het normale BTW-tarief van 21 %.
4. Inzake de belasting over de toegevoegde waarde.
1° De in punt 3 hiervoor bedoelde belastingplichtigen die van de BTW zijn vrijgesteld krachtens artikel 44 van het BTW-Wetboek en die geen recht op aftrek van de BTW hebben, zijn overeenkomstig artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, niet gehouden tot het uitreiken van facturen. Zij zijn op basis van de bepalingen van artikel 14, § 2, 3°, van dat besluit evenmin verplicht een dagontvangstenboek inzake BTW bij te houden.
Zij dienen evenwel overeenkomstig artikel 14, § 1, van dat besluit een aan de omvang van hun activiteiten aangepaste boekhouding te voeren.
2° De in punt 3 hiervoor bedoelde belastingplichtigen die niet van de BTW zijn vrijgesteld en die overeenkomstig artikel 1, § 1, van het bovenvermelde koninklijk besluit nr. 1 in principe gehouden zijn tot het uitreiken van facturen, zijn bij toepassing van § 2 van dat artikel ervan ontheven facturen uit te reiken wanneer zij goederen leveren of diensten verstrekken aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik.
Zij dienen overeenkomstig artikel 44, § 2, 3°, van het bovenvermelde koninklijk besluit nr. 1 een dagboek bij te houden waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij gebruik maken van de voormelde ontheffing van de factureringsplicht. Krachtens artikel 15, § 2, van dat besluit, moeten deze inschrijvingen gesteund zijn op verantwoordingsstukken die gedateerd zijn en waarvan, naargelang het geval, een origineel exemplaar of een dubbel dient te worden bewaard.
Indien zij evenwel gehouden zijn tot het uitreiken van facturen of indien zij geen gebruik maken van de ontheffing van de factureringsplicht, moeten zij overeenkomstig artikel 14, § 2, 2°, van het bovenvermelde koninklijk besluit, een boek voor uitgaande facturen bijhouden waarin zij hun uitgaande facturen inschrijven.
Inzake de inkomstenbelastingen.
De beoefening van de geneeskunde wordt inzake inkomstenbelastingen als een vrij beroep beschouwd.
Artikel 320, WIB 1992, legt aan de personen die een vrij beroep, post of ambt uitoefenen de plicht op ontvangstbewijzen uit te reiken en een dagboek bij te houden waarvan het model en het gebruik door de minister van Financiën zijn vastgesteld. Onverminderd de bepalingen van voormeld artikel, kan de minister van Financiën, krachtens artikel 321, WIB 1992, de verplichting opleggen boeken te houden of documenten en formulieren te bezigen waarvan hij het model en het gebruik bepaalt en die hij nodig acht voor de controle van de ontvangsten of uitgaven van de belastingplichtige of van derden.
De ministeriële besluiten genomen in uitvoering van vermelde artikelen, van 17 december 1998 zijn gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1998 - eerste editie.
5. Het beroeps- of het persoonlijk karakter van de uitgaven die door een belastingplichtige worden verricht om deel te nemen aan cursussen, stages of seminaries (bijvoorbeeld inschrijvingsgeld, examengeld, kosten van verplaatsingen, boeken, stencilwerk, enz.) is afhankelijk van het verband tussen die uitgaven en de beroepswerkzaamheid zoals ze door de betrokkene op het ogenblik van de feiten wordt uitgeoefend.
Derhalve is een eenduidig antwoord op deze vraag niet mogelijk maar hangt dit af van de feitelijke omstandigheden waarin en het ogenblik waarop deze uitgaven worden gemaakt. Ik kan het geachte lid terzake verwijzen naar nr. 52/209 tot 211 van de administratieve commentaar op het WIB 1992 waarin onder meer een aantal gevallen zijn opgenomen waar de rechtspraak de beoogde uitgaven hetzij als beroepskosten, hetzij als uitgaven van persoonlijke aard heeft aangemerkt.