Parlementaire vraag nr. 563 van de heer Lano van 15.01.2001

VRAAG 01/563
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 151, blz. 19264-19267
Bull. nr. 837, pag. 1435-1439
Kapitalen beheerd door advocaten en notarissen - Roerende voorheffing - Verrekening
VRAAG
Overeenkomstig hun deontologische voorschriften worden door advocaten en notarissen bepaalde kapitalen tijdelijk belegd op rubriekrekeningen of op financiële rekeningen te name van derden.
Het betreft sommen die tijdelijk geblokkeerd worden in afwachting van een definitieve gerechtelijke uitspraak of van de eindverdeling van een erfenis of van andere al dan niet familiale betwistingen. Deze veelal belangrijke bedragen brengen een bruto-interest op, waarop in principe de roerende voorheffing verschuldigd is en dan ook rechtmatig wordt ingehouden door de tussenkomende financiële instellingen of speciale spaarkassen.
Het komt logischerwijze voor dat de verrekening inzake personenbelasting of inzake vennootschapsbelasting uitsluitend toekomt aan de rechthebbende particulieren, erfgenamen, zelfstandigen of vennootschappen. Ook die roerende voorheffing vormt immers een voorschot op de eindbelasting van die categorie van belastingplichtigen.
1. Wie mag de roerende voorheffing uiteindelijk verrekenen en welke fiscale instanties houden hierop een streng toezicht dat dit correct gebeurt?
2. Dient het nettobedrag steeds te worden gebruteerd ?
3. In welke gecodeerde rubrieken van het aangifteformulier inzake personenbelasting dient de nettointerest en de ingehouden roerende voorheffing respectievelijk te worden opgenomen:
a) wanneer de aangelegenheid uitsluitend kadert in het beheer van een privaat patrimonium;
b) wanneer die voorheffingen verband houden met een zelfstandige beroepswerkzaamheid?
4. In welke gecodeerde rubrieken van het aangifteformulier inzake vennootschapsbelasting (aanslagjaar 2000) dient zowel de netto-interest als de ingehouden roerende voorheffing respectievelijk te worden opgenomen?
5. Op welke wijze dienen de financiële instellingen, de spaarkassen, de notarissen en de advocaten aan de uiteindelijke rechthebbende genieters (natuurlijke en rechtspersonen) de werkelijke inhouding van de roerende voorheffing tijdig en jaarlijks te attesteren?
6. Door wie, binnen welke termijnen en op grond van welke wettelijke bepalingen kan er eventueel een bezwaarschrift worden ingediend of een ambtshalve ontheffing worden verleend van de ten onrechte nog niet verrekende roerende voorheffing en welke verantwoordingsstukken dienen hiertoe tijdig te worden voorgelegd?
ANTWOORD (07.01.2003)
1. De roerende voorheffing die door een financiële instelling ingehouden wordt op de interesten van de sommen die inzonderheid door notarissen en advocaten bij haar worden gestort voor rekening van de perso(o)n(en) aan wie die sommen uiteindelijk verschuldigd zijn, is in beginsel overeenkomstig artikel 280 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) verrekenbaar met de door de verkrijger van die sommen verschuldigde belasting.
Deze verrekening met de personenbelasting, de vennootschapsbelasting of de belasting van nietinwoners vindt overeenkomstig artikel 123 van het koninklijk besluit tot uitvoering van voormeld Wetboek plaats in de mate zoals bepaald in de artikelen 276 tot 294, WIB 1992 en voor zover de voorheffing betrekking heeft op inkomsten die in de belastbare grondslag van die belastingen zijn opgenomen.
Ten slotte is het de taxatieambtenaar die belast is met het onderzoek van de fiscale aangifte van de bedoelde verkrijger die inzonderheid zal onderzoeken of voormelde bepalingen juist zijn toegepast.
2. Het belastbare netto-inkomen van roerende goederen en kapitalen wordt in beginsel bepaald door het geïnde of verkregen bedrag te verhogen met de werkelijke (of fictieve) roerende voorheffing.
3. Wat betreft de aangifte in de personenbelasting van de door het geachte lid beoogde interesten, moet inderdaad een onderscheid worden gemaakt tussen de interesten van rekeningen die niet in het kader van de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt en de interesten van rekeningen die wel in dat kader worden gebruikt.
a) Interesten van rekeningen die niet voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt, waarop de roerende voorheffing is ingehouden of die van die voorheffing zijn vrijgesteld, moeten overeenkomstig artikel 313, eerste lid, WIB 1992 niet in de aangifte in de personenbelasting van de verkrijger worden vermeld, behalve indien het gaat om interesten van spaardeposito's als bedoeld in artikel 21, 5°, WIB 1992, in de mate dat ze (samen met eventuele andere interesten van dergelijke deposito's) meer bedragen dan de in datzelfde artikel bepaalde grens en voor zover er op dat meerdere geen roerende voorheffing is geheven.
In dat laatste geval moeten de desbetreffende interesten worden aangegeven in vak VII, A, 2, c (code 151) van de aangifte (aanslagjaar 2001).
Indien de verkrijger interesten waarop de roerende voorheffing is ingehouden en waarvan de aangifte dus niet verplicht is, toch wenst aan te geven (met het oog op de verrekening van de roerende voorheffing), moet hij die interesten (exclusief de ingehouden roerende voorheffing) in vak VII, A, 1 (code 160 of 162, naargelang van het tarief van de ingehouden roerende voorheffing) van de aangifte (aanslagjaar 2001) vermelden.
Indien de verkrijger opteert om de interesten waarvan de aangifte facultatief is, niet aan te geven, mag de roerende voorheffing niet met de personenbelasting worden verrekend, noch worden terugbetaald (artikel 313, tweede lid, WIB 1992).
b) Interesten van rekeningen die wel voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger worden gebruikt, worden overeenkomstig artikel 37 WIB 1992 als beroepsinkomsten aangemerkt en zijn steeds verplicht aan te geven (behalve de in artikel 21, 5°, WIB 1992 vermelde eerste schijf van de inkomsten uit spaardeposito's, die vrijgesteld is).
Naargelang van de aard van de uitgeoefende beroepswerkzaamheid moeten de desbetreffende interesten (met inbegrip van de verrekenbare roerende voorheffing) in vak XIII, rubriek 3 (code 602 en/of 627) of in vak XIV, rubriek 1 (code 650 en/of 675) van deel 2 van de aangifte (aanslagjaar 2001) worden vermeld.
Bovendien moet de verrekenbare roerende voorheffing met betrekking tot die interesten afzonderlijk worden vermeld in vak XV, rubriek 1 (code 756 en/of 766) van deel 2 van de aangifte (aanslagjaar 2001).
4. Ik wens het geachte lid erop te wijzen dat in het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting geen specifieke gecodeerde rubrieken zijn voorzien waarin de bedoelde roerende inkomsten moeten ingeschreven worden.
De door een binnenlandse vennootschap verkregen roerende inkomsten zullen immers in haar boekhoudkundig resultaat (winst of verlies) van het desbetreffende boekjaar en dus voor resultaatverwerking zijn opgenomen en zij zullen bijgevolg begrepen zijn in het bedrag dat, naargelang van het geval, moet worden ingeschreven op de regel 060 of 061 van het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting.
De ingehouden roerende voorheffing moet onder de "verworpen uitgaven" worden opgenomen en zal begrepen zijn in het bedrag van de "Niet aftrekbare belastingen" dat op de regel 029 moet worden ingeschreven.
De verrekenbare roerende voorheffing met de tijdens het belastbare tijdperk verkregen bedoelde inkomsten (interesten) is een terugbetaalbare voorheffing die zal moeten worden ingeschreven op de regel 195 van het aangifteformulier in de vennootschapsbelasting.
5. In tegenstelling tot wat het geachte lid meent te moeten veronderstellen, moet de verkrijger van de desbetreffende roerende inkomsten in de regel, aan de hand van de hem door de betrokken financiële instelling ter beschikking gestelde stukken, het bewijs leveren dat de ingehouden roerende voorheffing verrekenbaar is.
6. Betreffende andere roerende inkomsten dan die welke worden beoogd in artikel 313, WIB 1992, kunnen de natuurlijke personen en de rechtspersonen, overeenkomstig artikel 366, WIB 1992, een bezwaarschrift indienen tegen de gevestigde aanslag.
De procedure van ambtshalve ontheffing wordt geregeld door artikel 376, WIB 1992.
Wat de roerende inkomsten betreft die beoogd worden in artikel 313, WIB 1992, en waarvan een belastingplichtige die aan de personenbelasting is onderworpen geen aangifte moet doen in die belasting, heeft het Hof van Cassatie gesteld dat de keuze die de belastingplichtige terzake doet onherroepelijk is. Het onherroepelijk karakter van die keuze maakt het derhalve niet meer mogelijk via een bezwaarschrift of via de procedure van ambtshalve ontheffing op die keuze terug te komen en aldus de roerende voorheffing terug te krijgen (zie het arrest van het Hof van Cassatie van 23 april 1992, Bulletin der Belastingen nr. 731, blz. 2828).