Parlementaire vraag nr. 103 van mevrouw Pieters van 10.11.2003
VRAAG 03/103
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 018, blz. 2508-2513
Wederzijdse bijstand en uitwisseling van gegevens tussen administraties
VRAAG
Naar aanleiding van fiscale onderzoeken gebeurt het regelmatig dat er naast fiscale overtredingen eveneens ernstige inbreuken worden vastgesteld op tal van economische wetgevingen.
Dit kan bijvoorbeeld onder meer betrekking hebben op overtredingen van de wet van 14 juli 1971 betreffende de handelspraktijken en op de naleving van de wet van 6 juli 1976 tot beteugeling van het sluikwerk met handels- of ambachtskarakter, die al dan niet onder andere ook door middel van anonieme schriftelijke klachten aan de lokale taxatiediensten of aan de directiediensten werden gesignaleerd.
Het komt evenzeer voor dat het bestuur Economische Inspectie op haar beurt weer verschillende fiscale overtredingen of strafbare feiten inzake directe belastingen en/of inzake BTW vaststelt.
Terzake rijzen dan ook gezamenlijk de volgende algemene praktische vragen.
1.
a) Mogen of moeten alle vastgestelde onregelmatigheden onderling worden uitgewisseld ?
b) Bestaan hieromtrent specifieke samenwerkingsprotocollen ?
In bevestigend geval, hoe luiden hiervan de teksten en waar werden zij telkens officieel gepubliceerd ?
c) Welke niet-beperkende lijst van elementen of inlichtingen kunnen er wederzijds worden uitgewisseld en werden al die mogelijke toestanden reeds administratief becommentarieerd ?
2.
a) Mag of moet van alle kwestieuze summiere of grondige verificatie-verslagen inzake inkomstenbelastingen en BTW en van alle processen-verbaal telkens een kopie aan de andere lokaal bevoegde federale administratie spontaan en "rechtstreeks" worden overgemaakt of uitgewisseld ?
b) Werden hiertoe specifieke administratieve drukwerken ontworpen ten behoeve van alle bevoegde fiscale en economische besturen en kan van alle verstuurde specifieke documenten desgevallend een afschrift of een kopie worden bekomen door alle rechtstreeks betrokken personen (burgers en ambtenaren) ?
3. Kan de belastingplichtige of de burger in het licht van de bepalingen van artikel 32 van de Grondwet en de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur "inzage" en "mededelingsrecht" verkrijgen van:
a) die verificatieverslagen van de fiscale ambtenaren;
b) die processen-verbaal van de Economische Inspectie;
c) die eventuele al dan niet naamloze klachten ?
4. Kan iedere gekende "klachtindiener" naderhand een afschrift of een kopie bekomen van alle verificatieverslagen en/of van alle onderzoeksnota's die werden opgesteld naar aanleiding van zijn specifieke schriftelijke klacht verband houdend met:
a) het belastingonderzoek;
b) het onderzoek inzake BTW;
c) het onderzoek van het bestuur van de Economische Inspectie ?
Zo neen, om welke gegronde redenen kan hem dit door ieder bestuur telkens worden geweigerd ?
5.
a) Kan iedere klager aan het bestuur van de Economische Inspectie en aan de administratie van de Ondernemingsen Inkomensfiscaliteit schriftelijk vragen hem alle gemotiveerde redenen mee te delen waarom zijn klacht eventueel zonder meer werd geseponeerd of geen tastbaar resultaat heeft opgeleverd ?
Zo ja, op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen ?
Zo neen, op grond van welke concrete verbodsbepalingen wordt hem dit effectief geweigerd ?
b) Op welke wijze kunnen de burgers die een oprechte klacht of een verzoek hebben ingediend op afdoende wijze natrekken dat alle vastgestelde en medegedeelde inbreuken of strafbare feiten daadwerkelijk aan een ernstig onderzoek werden onderworpen? Tot welke hogere economische en fiscale instanties kunnen die klagers zich hiertoe eventueel richten om daarvan toch de garantie te hebben ?
6. Kan u, punt per punt, op principieel vlak uw algemene ziens- en handelwijze meedelen zowel in het kader van de strijd tegen de fiscale en economische fraude als in het licht van onder meer de bepalingen van artikel 32 van de Grondwet; de wet van 11 april 1994, de artikelen 335 en 336 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 93quaterdecies van het BTW-Wetboek, economische wetgevingen en reglementeringen en alle algemene beginselen van een behoorlijk federaal bestuur ?
ANTWOORD (minister van Financiën, 29.01.2004)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden, wat de fiscale administraties betreft, te vinden.
1.
a), b) en c)
Artikel 337 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) verplicht de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) niet inlichtingen mede te delen, maar geeft haar enkel die mogelijkheid. Tenzij een wettelijke bepaling of een uitdrukkelijke reglementering bestaat, oordeelt de AOIF derhalve zelf - rekening houdend met de praktische mogelijkheden van haar diensten - over de aangelegenheden waarvoor ze optreedt.
Zo verleent de AOIF haar medewerking aan de sociale inspectie door:
- een kennisgeving te verzenden telkens wanneer de taxatieambtenaar, gelet op de bij het onderzoek van een belastingaangifte, vastgestelde gegevens vermoedt dat er een overtreding van de sociale wetgeving is begaan;
- fotokopieën van bescheiden of uittreksels uit bescheiden uit te reiken die als overtuigingsstukken in sociale aangelegenheden kunnen dienen;
- aan de ambtenaren van de sociale inspecties inzage te verlenen van de stukken uit het belastingdossier met betrekking tot de uitbetaalde bezoldigingen en bijhorigheden en waarvan die ambtenaren kennis moeten nemen voor de uitvoering van hun taak.
Hierbij aansluitend nemen de opsporingsdiensten van de AOIF deel aan acties gevoerd bij toepassing van het protocol van 30 juli 1993, betreffende de samenwerking tussen de verschillende sociale inspectiediensten tot coö rdinatie van de controles bij inbreuk op de arbeids- en de sociale wetgeving.
De administratieve richtlijnen bevatten een nietbeperkende lijst van inlichtingen die kunnen worden medegedeeld. De lijst zelf meedelen is van ondergeschikt belang, aangezien deze niet beperkend is.
Artikel 93bis, eerste lid, van het BTW-Wetboek stelt dat hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de toepassing van de belastingwetten of die toegang heeft tot de ambtsvertrekken van de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, buiten het uitoefenen van zijn ambt, verplicht is tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft.
Volgens het tweede lid van artikel 93bis oefenen de ambtenaren van de administratie van de Belasting over de toegevoegde waarde, Registratie en Domeinen, hun ambt uit wanneer zij aan andere administratieve diensten van de Staat, aan de administraties van de gemeenschappen en de gewesten van de Belgische Staat, aan de parketten en de griffies van de hoven, van de rechtbanken en van alle rechtsmachten, en aan de openbare instellingen of organismen inlichtingen verstrekken. De inlichtingen worden aan de bovengenoemde diensten verstrekt voor zover zij nodig zijn om de uitvoering van hun wettelijke of bestuursrechtelijke taken te verzekeren.
Artikel 93bis heeft dus tot doel alle hinderpalen uit de weg te ruimen voor een nauwere samenwerking tussen de belastingadministraties en de controlediensten van andere ministeries, om ook overtredingen van niet-fiscale wetten of reglementen te bestrijden. De elementen die kunnen worden uitgewisseld zijn alle inlichtingen waarvan de administratie zelf oordeelt dat deze nodig zijn voor de verzoekende diensten om de taken uit te voeren waarmee ze door de wetgever belast werden, dan wel of de afgifte mogelijk is gelet op de praktische mogelijkheden van haar diensten.
In omgekeerde zin stellen artikel 327 WIB 1992 en artikel 93quaterdecies van het BTW-Wetboek dat de bestuursdiensten van de Staat gehouden zijn, wanneer ze daartoe aangezocht worden door een ambtenaar van de fiscale administratie, hem inzage te verlenen in alle documenten welke de ambtenaar nodig acht voor de verzekering van de aanslag of van de heffing van de belastingen. Elke ambtenaar van een fiscale administratie is van rechtswege gemachtigd alle inlichtingen op te zoeken of in te zamelen welke de juiste heffing van de belasting verschuldigd door deze personen kan verzekeren en kan dus onder andere aan het bestuur van de Economische Inspectie inlichtingen vragen nodig voor het heffen van de belastingen.
Verder werd krachtens artikel 7 van de wet van 17 juli 1997 betreffende het gerechtelijk akkoord een samenwerking tussen de FOD Financiën en Justitie ingesteld. Alzo zendt de fiscale administratie aan de bevoegde griffies uiterlijk een maand na het verstrijken van elk kwartaal een lijst van de kooplieden die reeds twee kwartalen de verschuldigde BTW of bedrijfsvoorheffing niet meer betaald hebben.
2. Inzake inkomstenbelastingen
Hier dient benadrukt te worden dat de inlichtingen die men mededeelt, strikt beperkt zijn tot die welke nodig zijn om de belanghebbende diensten in staat te stellen, de taken uit te voeren waarmee ze zijn belast.
Er bestaan hieromtrent specifieke drukwerken. De modellen van dergelijke documenten zijn toegevoegd aan de desbetreffende administratieve richtlijnen en zijn door de ambtenaren te raadplegen.
Burgers vormen in deze uitwisseling geen rechtstreeks betrokken partij.
De administratie mag dus inlichtingen verschaffen aan andere overheidsdiensten zonder daartoe door de betrokken belatingplichtigen gemachtigd te zijn.
Inzake BTW
Nergens wordt vermeld dat een kopie van alle kwestieuze summiere of grondige verificatieverslagen inzake BTW, of van alle processen-verbaal moet worden overgemaakt en uitgewisseld. Artikel 93bis verplicht de administratie immers niet inlichtingen mede te delen, maar verleent enkel de mogelijkheid ertoe, behalve wanneer een wettelijke of reglementaire bepaling haar hiertoe gebiedt, zoals voormeld artikel 7 van de wet inzake het gerechtelijk akkoord.
Voor de uitwisseling van de inlichtingen betreffende een klacht tussen de verschillende federale overheidsdiensten bestaan geen specifieke administratieve drukwerken, hetgeen echter niet impliceert dat dergelijke uitwisseling niet zou bestaan.
3. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kent aan de betrokkenen een inzagerecht toe voor de informatie in het bezit van de administratieve overheid. De algemene regel is dat de betrokkene, mits de voorwaarden bepaald in de wet worden nageleefd, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, uitleg kan krijgen of er een kopie van kan ontvangen.
4. Krachtens artikel 6, § 2, 1°, van de voormelde wet 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur kan niemand toegang verkrijgen tot de gegevens in het bezit van een administratieve overheid betreffende een andere persoon tenzij deze laatste ermee instemt.
5. Inzake inkomstenbelastingen
Krachtens artikel 337, WIB 1992, is het de AOIF niet toegelaten een derde in te lichten noch over de ondernomen onderzoeksdaden naar aanleiding van een ontvangen klacht noch over de resultaten van dit onderzoek.
Inzake BTW
De persoon die een klacht heeft ingediend via het bestuur van de Economische Inspectie bij de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, kan op grond van artikel 93bis van het BTW-Wetboek niet worden ingelicht over de resultaten van het ingestelde onderzoek. Overigens is het steeds mogelijk dat een klacht die niet wordt gestaafd aan de hand van bewijskrachtige of verifieerbare bewijzen nauwelijks kan worden aangewend en dat het resultaat van het onderzoek hierdoor vaak zeer beperkt is. Vele klachten betreffen ook conflicten tussen contracterende partijen waarbij de administratie niet tussenbeide kan komen tenzij ze fiscale inbreuken kan aantonen.
Ernstige en gefundeerde klachten die men wenst onderzocht te zien mogen steeds gericht worden aan de AOIF en meer bepaald aan de directie II/4 van de centrale diensten van deze administratie. Zo het geachte lid hier een concreet geval op het oog heeft, kan dit eveneens worden overgemaakt aan bedoelde directie.
6. Deze vraag werd niet afzonderlijk behandeld, aangezien de elementen van antwoord reeds vervat zitten in de vorige antwoorden.
Bron: FisconetPlus
