Parlementaire vraag nr. 518 van mevrouw Pieters van 26.10.2004
VRAAG 04/518
Vraag nr. 518 van mevrouw Pieters dd. 26.10.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 121, blz. 23468-23470
Samenhang van de behandeling van achtereenvolgende identieke bezwaarschriften en van fiscale verzoekschriften
VRAAG
Het grondig en oppervlakkig onderzoek van belastingdossiers of van bepaalde al dan niet principiële aspecten ervan wordt zowel verricht door de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie als door de administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit (controlecentra en klassieke diensten).
Die onderzoekingen gebeuren afwisselend en/of achtereenvolgend door die drie verschillende belastingdiensten (BBI, controlecentra en gewone taxatiediensten) en meestal nemen de eraan verbonden taxatiemambtenaren het eerst ingenomen standpunt verder klakkeloos over door middel van een loutere verwijzing naar het eerste bericht van wijziging van aangifte.
Het is uiteraard niet vreemd dat die uitgebrachte taxatievoorstellen worden betwist, dat tegen al deze opeenvolgende belastingaanslagen naderhand ook bezwaarschriften worden ingediend en dat die zaken later eveneens aanhangig worden gemaakt bij de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg.
Terzake rijzen zowel in verband met de «oude» als met de «nieuwe» (= vanuit aanslagjaar 2000) identieke betwistingen de volgende algemene vragen.
1.
a) Is elk van de drie diensten zowel wettelijk als administratief telkens verplicht het oorspronkelijk ingenomen standpunt in elk ander aanslagjaar beurtelings blindelings te volgen, ongeacht of de feitelijke en/of juridische omstandigheden al dan niet ongewijzigd zijn gebleven ?
b) Mag steunend op het grondwettelijk legaliteits- en eenjarigheidsbeginsel en/of op rechtspraak, iedere verantwoordelijke taxatieambtenaar een onafhankelijk en onpartijdig standpunt innemen omtrent de te belasten materie en in een later aanslagjaar definitief besluiten niet meer of slechts nog gedeeltelijk tot taxatie over te gaan ?
c) Wat is hierbij de specifieke taak en «filterrol» van de drie gewestelijke directeurs en hun adviserend geschillenambtenaren ?
2. Bij welke lokaal bevoegde directiediensten moeten in zo'n gevallen de administratieve bezwaarschriften telkens geldig en tijdig worden ingediend ?
3.
a) Welke inspectiediensten en/of hogere neutrale (taxatie)ambtenaren moeten binnen welke redelijke termijn die elkaar opvolgende bezwaarschriften op objectieve wijze onderzoeken in de zin van artikel 374, WIB 1992 ?
b) Mogen of moeten, met het oog op een goede rechtsbedeling, die achtereenvolgende bezwaarschriften over verschillende aanslagjaren voor het onderzoek en voor de beslissing bij één en dezelfde belasting- of inspectiedienst worden samengevoegd ( cf. in die zin ook de artikelen 29 en 30 van het Gerechtelijk Wetboek) bij de eerst initiatiefnemende ambtenaar ?
4. Welke territoriaal bevoegde belastingambtenaren moeten over die respectievelijke bezwaarschriften de onpartijdige en onafhankelijke beslissing al dan niet gelijktijdig treffen ?
5. Welke ambtenaar zal in naam van alle tussengekomen belastingdiensten de verdediging van die gerechtelijke geschillen op zich nemen, zoals onder meer het opstellen en het indienen van de gezamenlijke conclusies, het formuleren van de tegenconclusies of antwoordbesluiten en het houden van een pleidooi op de rechtsdag ?
6. Moet er terzake schriftelijk advies worden gevraagd en uitgebracht en welke aansprakelijke hogere ambtenaren of managers moeten al dan niet na gezamenlijk overleg binnen een redelijke termijn de verantwoordelijke eindbeslissing nemen ?
7. Kan u, punt per punt, uw nationaal en uniform geldende ziensen handelwijze meedelen zowel in het licht van een modern, doorzichtig en behoorlijk bestuur, de nieuwe fiscale cultuur, een betere dienstverlening, de administratieve vereenvoudiging als van de wettelijke bepalingen van de artikelen 346, 366, 374, 375 en 379, WIB 1992 en de reglementaire beschikkingen van artikel 14, § 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 16 juni 1999 ( Belgisch Staatsblad van 23 juli 1999) ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.05.2006)
Het zou een ongerijmdheid zijn om bij een supplementaire aanslag de oorspronkelijke aanslag die het onderwerp vormt van een blijvend niet akkoord tussen de fiscus en de belastingplichtige, geheel of gedeeltelijk teniet te doen.
Dat geldt mutatis mutandis voor opeenvolgende aanslagjaren indien het elementen van de belastbare grondslag betreft die zich over verschillende aanslagjaren uitstrekken.
Zowel de aanslagambtenaren als de ambtenaren die beslissen over bezwaarschriften handelen binnen hiërarchisch verband en vertegenwoordigen in hun handelingen de belastingadministratie en de Belgische Staat. Zij handelen niet in eigen naam en zijn niet onafhankelijk in hun opdracht. De onpartijdigheid waarvan zij blijk moeten geven moet beoordeeld worden binnen het raam van de uitoefening van hun ambtelijke opdracht. De ambtelijke onpartijdigheid moet er enkel toe leiden dat de fiscale wet door de administratie op alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden op dezelfde wijze wordt toegepast.
Overeenkomstig artikel 366, WIB 1992 wordt het schriftelijk bezwaar tegen een aanslag ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd.
De directeur waarbij het bezwaarschrift moet worden ingediend staat vermeld op het aanslagbiljet dat de belastingplichtige ontvangt.
Overeenkomstig artikel 376 van de programmawet van 27 december 2004 ( Belgisch Staatsblad van 31 december 2004) dat in werking trad op 10 januari 2005, blijft het bezwaarschrift evenwel geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur van de belastingen dan deze bedoeld in het eerste lid van artikel 366, WIB 1992. Wanneer het bezwaarschrift gericht wordt aan een andere directeur van de belastingen, zendt deze het van ambtswege door aan de territoriaal bevoegde directeur en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.
Die wetswijziging wordt besproken in de circulaire nr. Ci.RH.861/573.445-Ci.RH.862/536.019 (AOIF 49/2005) van 13 december 2005 die via Fisconet kan worden geraadpleegd.
De directeur der belastingen neemt een beslissing over een bezwaarschrift als administratieve overheid maar het is de betwiste aanslag en niet zijn beslissing die het voorwerp uitmaakt van een eventuele vordering in rechte.
De taakverdeling binnen de administratie maakt het voorwerp uit van diverse instructies.
Voor het overige bevatten de vragen zoveel betwistbare uitgangspunten, variabelen en hypothesen, dat het niet mogelijk is om hierop binnen het raam van een parlementaire vraag te antwoorden.
Vraag nr. 518 van mevrouw Pieters dd. 26.10.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 121, blz. 23468-23470
Samenhang van de behandeling van achtereenvolgende identieke bezwaarschriften en van fiscale verzoekschriften
VRAAG
Het grondig en oppervlakkig onderzoek van belastingdossiers of van bepaalde al dan niet principiële aspecten ervan wordt zowel verricht door de administratie van de Bijzondere Belastinginspectie als door de administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit (controlecentra en klassieke diensten).
Die onderzoekingen gebeuren afwisselend en/of achtereenvolgend door die drie verschillende belastingdiensten (BBI, controlecentra en gewone taxatiediensten) en meestal nemen de eraan verbonden taxatiemambtenaren het eerst ingenomen standpunt verder klakkeloos over door middel van een loutere verwijzing naar het eerste bericht van wijziging van aangifte.
Het is uiteraard niet vreemd dat die uitgebrachte taxatievoorstellen worden betwist, dat tegen al deze opeenvolgende belastingaanslagen naderhand ook bezwaarschriften worden ingediend en dat die zaken later eveneens aanhangig worden gemaakt bij de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg.
Terzake rijzen zowel in verband met de «oude» als met de «nieuwe» (= vanuit aanslagjaar 2000) identieke betwistingen de volgende algemene vragen.
1.
a) Is elk van de drie diensten zowel wettelijk als administratief telkens verplicht het oorspronkelijk ingenomen standpunt in elk ander aanslagjaar beurtelings blindelings te volgen, ongeacht of de feitelijke en/of juridische omstandigheden al dan niet ongewijzigd zijn gebleven ?
b) Mag steunend op het grondwettelijk legaliteits- en eenjarigheidsbeginsel en/of op rechtspraak, iedere verantwoordelijke taxatieambtenaar een onafhankelijk en onpartijdig standpunt innemen omtrent de te belasten materie en in een later aanslagjaar definitief besluiten niet meer of slechts nog gedeeltelijk tot taxatie over te gaan ?
c) Wat is hierbij de specifieke taak en «filterrol» van de drie gewestelijke directeurs en hun adviserend geschillenambtenaren ?
2. Bij welke lokaal bevoegde directiediensten moeten in zo'n gevallen de administratieve bezwaarschriften telkens geldig en tijdig worden ingediend ?
3.
a) Welke inspectiediensten en/of hogere neutrale (taxatie)ambtenaren moeten binnen welke redelijke termijn die elkaar opvolgende bezwaarschriften op objectieve wijze onderzoeken in de zin van artikel 374, WIB 1992 ?
b) Mogen of moeten, met het oog op een goede rechtsbedeling, die achtereenvolgende bezwaarschriften over verschillende aanslagjaren voor het onderzoek en voor de beslissing bij één en dezelfde belasting- of inspectiedienst worden samengevoegd ( cf. in die zin ook de artikelen 29 en 30 van het Gerechtelijk Wetboek) bij de eerst initiatiefnemende ambtenaar ?
4. Welke territoriaal bevoegde belastingambtenaren moeten over die respectievelijke bezwaarschriften de onpartijdige en onafhankelijke beslissing al dan niet gelijktijdig treffen ?
5. Welke ambtenaar zal in naam van alle tussengekomen belastingdiensten de verdediging van die gerechtelijke geschillen op zich nemen, zoals onder meer het opstellen en het indienen van de gezamenlijke conclusies, het formuleren van de tegenconclusies of antwoordbesluiten en het houden van een pleidooi op de rechtsdag ?
6. Moet er terzake schriftelijk advies worden gevraagd en uitgebracht en welke aansprakelijke hogere ambtenaren of managers moeten al dan niet na gezamenlijk overleg binnen een redelijke termijn de verantwoordelijke eindbeslissing nemen ?
7. Kan u, punt per punt, uw nationaal en uniform geldende ziensen handelwijze meedelen zowel in het licht van een modern, doorzichtig en behoorlijk bestuur, de nieuwe fiscale cultuur, een betere dienstverlening, de administratieve vereenvoudiging als van de wettelijke bepalingen van de artikelen 346, 366, 374, 375 en 379, WIB 1992 en de reglementaire beschikkingen van artikel 14, § 1, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 16 juni 1999 ( Belgisch Staatsblad van 23 juli 1999) ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.05.2006)
Het zou een ongerijmdheid zijn om bij een supplementaire aanslag de oorspronkelijke aanslag die het onderwerp vormt van een blijvend niet akkoord tussen de fiscus en de belastingplichtige, geheel of gedeeltelijk teniet te doen.
Dat geldt mutatis mutandis voor opeenvolgende aanslagjaren indien het elementen van de belastbare grondslag betreft die zich over verschillende aanslagjaren uitstrekken.
Zowel de aanslagambtenaren als de ambtenaren die beslissen over bezwaarschriften handelen binnen hiërarchisch verband en vertegenwoordigen in hun handelingen de belastingadministratie en de Belgische Staat. Zij handelen niet in eigen naam en zijn niet onafhankelijk in hun opdracht. De onpartijdigheid waarvan zij blijk moeten geven moet beoordeeld worden binnen het raam van de uitoefening van hun ambtelijke opdracht. De ambtelijke onpartijdigheid moet er enkel toe leiden dat de fiscale wet door de administratie op alle belastingplichtigen die zich in dezelfde situatie bevinden op dezelfde wijze wordt toegepast.
Overeenkomstig artikel 366, WIB 1992 wordt het schriftelijk bezwaar tegen een aanslag ingediend bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag is gevestigd.
De directeur waarbij het bezwaarschrift moet worden ingediend staat vermeld op het aanslagbiljet dat de belastingplichtige ontvangt.
Overeenkomstig artikel 376 van de programmawet van 27 december 2004 ( Belgisch Staatsblad van 31 december 2004) dat in werking trad op 10 januari 2005, blijft het bezwaarschrift evenwel geldig ingediend wanneer het gebracht wordt voor een andere directeur van de belastingen dan deze bedoeld in het eerste lid van artikel 366, WIB 1992. Wanneer het bezwaarschrift gericht wordt aan een andere directeur van de belastingen, zendt deze het van ambtswege door aan de territoriaal bevoegde directeur en stelt de bezwaarindiener hiervan in kennis.
Die wetswijziging wordt besproken in de circulaire nr. Ci.RH.861/573.445-Ci.RH.862/536.019 (AOIF 49/2005) van 13 december 2005 die via Fisconet kan worden geraadpleegd.
De directeur der belastingen neemt een beslissing over een bezwaarschrift als administratieve overheid maar het is de betwiste aanslag en niet zijn beslissing die het voorwerp uitmaakt van een eventuele vordering in rechte.
De taakverdeling binnen de administratie maakt het voorwerp uit van diverse instructies.
Voor het overige bevatten de vragen zoveel betwistbare uitgangspunten, variabelen en hypothesen, dat het niet mogelijk is om hierop binnen het raam van een parlementaire vraag te antwoorden.
Bron: FisconetPlus
