Parlementaire vraag nr. 647 van de heer Dufour van 27.11.1996

VRAAG 96/647
Vr. en Antw., Kamer, nr. 68, 1996-1997, blz. 9083-9085
Bull. nr. 771, pag. 1130
Beleggingsvennootschappen - RV.
Krachtens artikel 266 van het WIB 1992 kan de Koning geheel of ten dele afzien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van roerende goederen en kapitalen en van diverse inkomsten indien het verkrijgers betreft van wie de identiteit kan worden vastgesteld, of effecten aan toonder waarvan de inkomsten begrepen zijn in één van de in hetzelfde artikel vermelde categorieën.
Een volgend lid van dat artikel 266 bepaalt meer in het algemeen dat van de inning van de roerende voorheffing niet kan worden afgezien voor inkomsten van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd.
Artikel 107, § 1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992 bepaalt dat geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten uit obligaties, kasbons, enz., en verwijst volgens mij naar datzelfde lid van artikel 266 van het WIB 1992 om de inning van de roerende voorheffing wél te verplichten voor effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd.
1. Als mijn interpretatie juist is, staat er een fout in artikel 107, § 1, van het WIB 1992. Dat artikel verwijst immers naar artikel 266, laatste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, krachtens hetwelk in geen geval mag worden afgezien van de inning van de roerende voorheffing voor door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd. Sinds de invoering van een nieuw lid bij artikel 42 van de wet van 6 juli 1994 is dat laatste lid van artikel 266 echter niet langer het laatste lid, maar het tweede lid. Moet artikel 107, § 1, van het koninklijk besluit ter uitvoering van het WIB 1992 derhalve niet gewijzigd worden, om alle misverstanden te voorkomen ?
2. De artikelen 116 en 117, § 9, van het uitvoeringsbesluit bepalen dat van de inning van de roerende voorheffing wordt afgezien voor inkomsten die verleend of toegekend worden aan beleggingsvennootschappen. In tegenstelling tot artikel 107, § 1, verwijzen die artikelen niet naar artikel 266 van het WIB 1992 om de inning van de roerende voorheffing wél te verplichten voor effecten waarvan de interest wordt gekapitaliseerd.
a)
Hoe moet dit ontbreken van een verwijzing worden geïnterpreteerd ?
b) Legt artikel 266 van het WIB 1992 als wetsbepaling een algemene norm op waarvan het uitvoeringsbesluit niet kan afwijken, ook al wordt er niet uitdrukkelijk naar dat artikel verwezen ?
c) Of mag men hieruit concluderen dat de beleggingsvennootschappen, bij ontstentenis van een verwijzing naar dat artikel, vrijgesteld zijn van de roerende voorheffing op de gekapitaliseerde rente van effecten die leningen vertegenwoordigen ?
d) Als die laatste interpretatie juist is, waarom acht uw administratie het dan opportuun in het onderhavige geval af te zien van de inning van de roerende voorheffing ?
ANTWOORD
Wat het eerste punt van de vraag betreft, sluit ik mij aan bij het standpunt van het geacht lid. Artikel 107, § 1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992 (KB/WIB 1992) zal worden gewijzigd in het kader van een algemene actualisering gewijzigd van het KB/WIB 1992.
Wat betreft het tweede punt van de vraag aangaande de verzaking van de inning van de roerende voorheffing op inkomsten betaald of toegekend aan beleggingsvennootschappen vermeld in de artikelen 116 en 117, § 9, KB/WIB 1992, dient verwezen naar de bepaling van artikel 266, tweede lid, van het WIB 1992 die uitdrukkelijk voorziet in onmogelijkheid om te verzaken aan de inning van de roerende voorheffing op inkomsten van door effecten vertegenwoordigde leningen waarvan de interest wordt gekapitaliseerd.
De voormelde wetsbepaling ontneemt elke wettelijke grondslag aan een artikel van het KB/WIB 1992 dat zou voorzien in een verklaring met betrekking tot de op het einde van het vorige lid vermelde inkomsten.
Bijgevolg kunnen beleggingsvennootschappen geen vrijstelling bekomen van roerende voorheffing op de inkomsten van effecten vermeld in artikel 266, tweede lid, van het WIB 1992, ondanks het ontbreken van een verwijzing naar dat artikel.