Parlementaire vraag nr. 1565 van mevrouw van Kessel van 23.11.1998

VRAAG 98/1565
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 168, blz. 22547
Bull. nr. 800, pag. 113
Reis- en toeristische sector - Voordelen van alle aard
VRAAG
In de Belgische en buitenlandse reis- en toeristische sector is het een aloude traditie dat de gidsen, chauffeurs en begeleiders drinkgelden krijgen of zelfs vragen bij de inschrijving voor een reis en bij de groepsbezoeken aan verkoopcentra, feestzalen of andere eetgelegenheden.
Ook alle vaste en toevallige medewerkers van de touroperators, de reisbureaus en de autocarbedrijven genieten allerlei voordelen van alle aard onder de vorm van fooien, commissies, gratis maaltijden, trein- en vliegtickets, bonussen, cruises, reizen, verblijven, toegang tot musea, kosteloze beschikking over kamers, gebruik van voertuigen, telefoon, mobilofoon en tal van andere kleine voordelen of faciliteiten.
De bepaling van het (forfaitair) bedrag en het taxatieregime van die voordelen in hoofde van de Belgische genieters (rijksinwoners) en hun gezinsleden en in hoofde van de verstrekkende vennootschappen-werkgeefsters geeft in de praktijk aanleiding tot tal van fiscale interpretatieproblemen.
1. Welke algemene en praktische administratieve onderrichtingen en/of reglementaire bepalingen bestaan er of zullen er inzake directe belastingen en inzake BTW worden uitgevaardigd voor die al dan niet zelfstandige en/of toevallige medewerkers tewerkgesteld in België en in het buitenland?
2. Door wie, wanneer en in welke mate dienen, op straffe van toepassing van de bijzondere aanslag bepaald in artikel 219, WIB 1992, de wettelijke en reglementaire bepalingen ter uitvoering van artikel 57, 1° tot 3°, WIB 1992, te worden nageleefd wanneer men weet dat die fooien van de reizigers en voordelen van alle aard niet rechtstreeks onder de beroepskosten van de betrokken werkgevers of schuldenaars kunnen worden teruggevonden?
3. Welke schalen van de bedrijfsvoorheffing zijn van toepassing en door wie dient ze te worden ingehouden en gestort?
4.
a) Dienen de voordelen te worden beoordeeld in het licht van de bepalingen van artikel 36, eerste lid, WIB 1992 en/of artikel 18 KB/WIB 1992?
b) Welke forfaitaire verhoudingen ten overstaan van het vast loon kunnen eventueel worden gehanteerd ?
5. Welk taxatieregime ondergaan de horecabedrijven die een regelmatige boekhouding voeren voor de betaalde fooien en de maaltijdvoordelen in hoofde van de gidsen, chauffeurs en/of begeleiders?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op de gestelde vragen te willen vinden.
1. A. Inzake BTW
De door gidsen, buschauffeurs en begeleiders van reizen ontvangen fooien en drinkgelden kunnen, in het geval deze vrijwillig en naar eigen goeddunken door de reizigers worden gegeven, niet worden geacht de tegenprestatie te zijn van een aan reizigers verleende dienst. Deze bedragen vallen dan ook buiten de werkingssfeer van de BTW, zelfs als de betrokken personen zelf om een fooi vragen en verwachten een bepaald bedrag te ontvangen.
De vraag of het ontvangen van commissies of van voordelen door werknemers uit de reissector, al dan niet aanleiding geeft tot toepassing van BTW kan niet op een algemene en voor ieder geval geldende wijze worden beantwoord, maar moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke gegevens van ieder geval afzonderlijk.
B. Inzake directe belastingen
In tegenstelling tot wat inzake BTW geldt, vallen de door het geachte lid beoogde fooien wel onder het toepassingsgebied van de personenbelasting en de belasting van niet-inwoners/natuurlijke personen, gelet op de ruime bepalingen terzake.
Naargelang van de hoedanigheid van de verkrijger (rijksinwoner of niet; zelfstandige of werknemer), wordt de belastbaarheid en de vaststelling van de door het geachte lid bedoelde fooien geregeld door de artikelen 24; 27; 31, tweede lid, 1°; 32 en 228, § 2, 3°, 4°, 6° en 7°, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en artikel 17 van het koninklijk besluit tot uitvoering van dat Wetboek (KB/WIB 1992).
Wat de voordelen van alle aard betreft wordt de belastbaarheid geregeld door de artikelen 25, 2°; 27, 2°; 31, tweede lid, 2°; 32, tweede lid; 36 en 228, § 2, 3°, 4°, 6° en 7°, WIB 1992 en artikel 18 KB/ WIB 1992.
2. De desbetreffende inkomstenfiches moeten worden opgesteld door diegenen die de hiervoor bedoelde voordelen betalen of toekennen of personeel tewerkstellen wier bezoldiging geheel of gedeeltelijk uit fooien bestaat.
3. Met betrekking tot de belastingplichtigen bij wie voornoemde voordelen en fooien als bezoldigingen moeten worden aangemerkt, zijn inzake bedrijfsvoorheffing de regels van toepassing opgenomen in het nr. 2 - wat de voordelen van alle aard betreft - van de Bijlage III KB/WIB 1992 zoals die laatst is gewijzigd bij het koninklijk besluit van 4 december 1998 (Belgisch Staatsblad van 24 december 1998, tweede editie).
De bedrijfsvoorheffing is in principe verschuldigd door de schuldenaar van het inkomen (artikel 270, 1°, WIB 1992).
Overeenkomstig de artikelen 270, 2°, en 272, 2°, WIB 1992, moet wat de fooien betreft de werkgever van de belastingplichtige evenwel als schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing worden aangemerkt en heeft hij het recht om zich het bedrag van de bedrijfsvoorheffing bij voorbaat te doen overhandigen.
4.
a) De voordelen dienen naargelang het geval te worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het artikel 36, eerste of tweede lid WIB 1992 en van artikel 18 KB/WIB 1992.
b) Inzake directe belastingen worden geen forfaitaire verhoudingen ten overstaan van enig vast loon toegepast.
5. In de veronderstelling dat het geachte lid de gevallen beoogt waarbij de fooien en voordelen bij de verkrijgers zijn aan te merken als belastbare beroepsinkomsten moeten overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, WIB 1992, de door de bedoelde horecabedrijven gedane kosten worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave.
Bij gebrek aan die verantwoording zijn die kosten ten name van aan de personenbelasting onderworpen belastingplichtigen niet aftrekbaar als beroepskost en ten name van aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen onderworpen aan de bijzondere afzonderlijke aanslag als bedoeld in artikel 219, WIB 1992.
Wanneer het geachte lid een concreet geval beoogt, nodig ik haar uit mij de identificatiegegevens ervan mede te delen zodat de bevoegde administraties terzake een onderzoek kunnen instellen.