Parlementaire vraag nr. 807 van de heer Ghesquière van 02.12.1993

VRAAG 93/807
Bull. nr. 738, pag. 1150
Pensioensparen
Ingevolge het koninklijk besluit van 22 december 1986 tot invoering van een stelsel voor derdeleeftijds- of pensioensparen (Belgisch Staatsblad, 1 januari 1987) zijn de betaalde bijdragen in het kader van het pensioensparen fiscaal aftrekbaar, mits aan bepaalde vereisten is voldaan, tot en met het jaar waarin de belastingplichtige de leeftijd van 64 heeft bereikt. Artikel 5, §3, 2°, 2de gedachtenstreep, van dat koninklijk besluit bepaalt immers dat de "in §2 bedoelde aftrek niet meer wordt verleend met ingang van het belastbaar tijdperk waarin :
  • de in het eerste lid, I°, a), bedoelde persoon de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt".
1. Is het correct dat personen, waarvan de normale pensioengerechtigde leeftijd na hun 65ste ligt (bijvoorbeeld magistraten) worden uitgesloten van het fiscaal voordeel voor de betalingen inzake pensioensparen gedaan vanaf hun 65ste jaar ?
2. Zo ja, is het niet onbillijk dat personen die nog werken voor hun pensioen na hun 65ste jaar en dus nog voor hun pensioen dienen te sparen, dat voordeel niet meer genieten, terwijl personen, die voor hun 65ste jaar op pensioen of brugpensioen zijn, en dus in principe voor hun pensioen niet meer dienen te sparen, nog wel dat voordeel genieten ?
3.
Zo ja, welke maatregelen neemt u ?
ANTWOORD
Artikel 5 van het koninklijk besluit van 22 december 1986 tot invoering van een stelsel voor derdeleeftijds- of pensioensparen, dat werd bekrachtigd, door artikel 54 van de wet van 7 november 1987, waarbij voorlopige kredieten worden geopend voor de begrotingsjaren 1987 en 1988 en houdende financiële en diverse bepalingen, heeft in artikel 72, §3, tweede lid, tweede gedachtenstreep, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen dat als artikel 118, tweede lid, in het gecoördineerde Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (WIB 1992) werd hernomen, inderdaad ingevoegd dat de aftrek voor pensioensparen niet meer wordt verleend met ingang van het belastbare tijdperk waarin de belastingplichtige de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Overeenkomstig de artikelen 145^1, 5°, en 145^9, tweede lid, WIB 1992, die door artikel 86 van de wet van 28 december 1992 houdende fiscale, financiële en diverse bepalingen, zijn ingevoegd, geldt die uitsluiting eveneens voor de toepassing van de belastingvermindering voor pensioensparen die vanaf het aanslagjaar 1993 in de plaats komt van de aftrek voor pensioensparen.
Die uitsluiting lijkt mij verantwoord omdat de leeftijdsgrens van 65 jaar een objektief criterium is en het voordeel biedt dat interpretatieproblemen worden vermeden die uitdrukkingen als "pensionering op de normale datum" en "volledige en definitieve stopzetting van de beroepswerkzaamheden" vaak met zich brengen. Aldus worden alle belastingplichtigen gelijkgesteld ongeacht of zij al dan niet pensioengerechtigd zijn en al dan niet hun beroepswerkzaamheden volledig of definitief stopzetten.
De aandacht van het geacht lid wordt er nog op gevestigd dat voor zover er geen uitkering van het spaartegoed voor de leeftijd van 60 jaar heeft plaatsgehad, de aanslag in de personenbelasting vanaf 1 januari 1993 in beginsel is vervangen door een anticipatieve taks die op het kapitaal dat tot de leeftijd van 60 jaar is gevormd, wordt geheven tegen een tarief van slechts 10 of 16,5 % (artikelen 117 en 119 van de voornoemde wet van 28 december 1992). Die anticipatieve heffing is definitief en vervangt elke andere heffing bij de vereffening van het kapitaal, zodat het kapitaal dat voortkomt uit stortingen die de belastingplichtige vanaf de leeftijd van 60 tot en met 64 jaar doet, van elke belasting vrijgesteld is, hoewel die stortingen toch nog tot belastingverminderingen aanleiding geven. Het verlenen van belastingverminderingen voor stortingen na de leeftijd van 64 jaar zou voor de betrokkenen dan ook elk jaar een meer onverantwoord voordeel betekenen.