Parlementaire vraag nr. 2613 van de heer Luk Van Biesen van 01.04.2019

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/185, d.d. 30.04.2019, blz. 208

Tax shelter voor audiovisuele werken (MV 29233)

VRAAG

Artikel 194ter, §1, lid 5 WIB92 stelt dat:

"[d]e uitgaven gedaan binnen zes maanden voorafgaand aan de ondertekening van de raamovereenkomst voor het in aanmerking komend werk, die betrekking hebben op de productie en de exploitatie van dit in aanmerking komend werk en die beantwoorden aan alle andere in dit artikel bedoelde voorwaarden, worden als in aanmerking komende uitgaven beschouwd voor zover de betrokken Gemeenschap het werk heeft erkend overeenkomstig §7, eerste lid, 3°, eerste streepje, en voor zover de in aanmerking komende productievennootschap kan verantwoorden waarom het noodzakelijk was dat deze uitgaven moesten gedaan worden vóór en niet na de ondertekening.".

Voor audiovisuele producties kunnen er in aanmerking komende uitgaven gebeuren vanaf de datum van de ondertekening van de raamovereenkomst tot 18 maanden erna. De hiervoor vermelde bepaling werd opgenomen in het WIB 92 omdat er een discrepantie bestaat tussen het ogenblik waarop taxshelter fondsen hoofdzakelijk worden opgehaald met name in het laatste kwartaal van het kalender/ boekjaar en de behoefte aan taxshelter financiering voor audiovisuele producties die heel het jaar doorloopt.

De parlementaire stukken bij de wet van 12 mei 2014 (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54 1737/004, blz. 4) onderkennen dit probleem en geven aan dat de productievennootschappen uitgaven kunnen doen die voor de taxshelter financiering in aanmerking komen, nog voordat de fondsen worden opgehaald en binnen een periode van zes maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst.

De FAQ 3 die op 13 september 2017 werd gepubliceerd, voegde hieraan toe: "De productievennootschap kan evenwel nog andere uitzonderlijke omstandigheden inroepen waardoor bepaalde uitgaven, die worden gedaan binnen een periode van 6 maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst, als in aanmerking komende kosten kunnen worden beschouwd". Wat deze uitzonderlijke omstandigheden zijn wordt verder niet gepreciseerd in voormelde FAQ.

Op 10 juli 2018 gaf de toenmalige minister van Financiën in antwoord op de parlementaire vraag nr. 26395 van de heer Johan Klaps aan dat de verlaging van de vennootschapsbelasting en de invoering van aangepaste bepalingen van het voorafbetalingssysteem, die werden gestemd in december 2017 en van toepassing werden per 1 januari 2018, erkend werden als een uitzonderlijke omstandigheid zodat onder artikel 194ter, §1, lid 5 WIB92 productiehuizen in aanmerking komende uitgaven voor audiovisuele producties konden doen in de zes maanden voorafgaand aan de ondertekening van de raamovereenkomst in de eerste drie kwartalen van 2018.

Op heden is deze tijdelijke maatregel uitgedoofd, doch de situatie waarin de hele audiovisuele sector zich vandaag bevindt is dermate verslechterd door verschillende nieuwe factoren - die hierna kort een voor een worden uiteengezet - dat men opnieuw van uitzonderlijke omstandigheden kan spreken.

Vele Belgische productiehuizen en tussenpersonen worden momenteel immers geconfronteerd met aanzienlijke problemen bij het vinden van de noodzakelijke financiële middelen om hun audiovisuele werken te realiseren en de situatie is dermate ernstig dat men vanaf de zomer meerdere stopzettingen van activiteiten mag verwachten met als onmiddellijk gevolg een verminderde tewerkstelling binnen deze sector en een aanzienlijk negatieve impact op het aanzien van de Vlaamse/Franstalige/Belgische film op het internationaal toneel. Bovendien kan dit voor kleinere productievennootschappen en tussenpersonen mogelijks leiden tot het faillissement.

De oorzaken van de bestaande uitzonderlijke omstandigheden zijn drieërlei:

- de verlaging van de vennootschapsbelasting die per 1 januari 2018 werd ingevoerd werd tot op heden onvoldoende gecompenseerd door correlatieve maatregelen voor investeringen in taxshelter die de neutraliteit van deze investeringen waarborgen. In casu moet men vaststellen dat bij gebrek aan deze maatregelen de taxshelter markt effectief substantieel kleiner werd. Deze oorzaak dreigt zich nu nog meer te veruitwendigen bij de implementatie van de tweede fase van de verlaging van de vennootschapsbelasting in 2020;

- het gebrek aan fondsen ten gevolge van de discrepantie tussen het ogenblik waarop de taxshelter investeringen gebeuren in het laatste kwartaal van het kalender/boekjaar en de permanente behoefte tot taxshelter financiering wordt voorts geaccentueerd door de invoering van het aangepaste systeem voorafbetalingen in 2018;

- het gebrek aan fondsen wordt ten slotte nog meer op scherp gezet door de invoering van de taxshelter voor podiumkunsten per 1 januari 2017 die in 2018 op kruissnelheid kwam.

Een verder wetgevend ingrijpen lijkt de meest aangewezen weg om de drie oorzaken van deze uitzonderlijke omstandigheden aan te pakken. Evenwel lijkt dit op korte termijn niet haalbaar. In dat kader zou men er kunnen aan denken om naast de aanpassingen van absolute en percentage plafonds ook te werken met een maximale 18 maanden periode die glijdend is en die de producent zelf toelaat om een eerste in aanmerking komende uitgave te doen ten vroegste zes maand voorafgaand aan de ondertekening en de laatste dan 12 maand na de ondertekening.

Het is duidelijk dat er vandaag uitzonderlijke omstandigheden in de zin van FAQ 3 zijn waarmee alle producenten in de audiovisuele sector worden geconfronteerd en die minstens als noodzakelijke verantwoording in de zin van artikel 194ter, §1, lid 5 WIB92, kunnen worden beschouwd om uitgaven gedaan maximaal zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst als in aanmerking komende uitgaven voor de productie van het audiovisuele werk te verantwoorden. De hele sector vraagt daarom dat u dit als minister bevestigt en dit voor een periode die loopt tot eind 2019, zodat ondertussen het nodige wetgevend ingrijpen kan worden voorbereid en geïmplementeerd.

Kunnen bijgevolg voormelde uitzonderlijke omstandigheden als noodzakelijke verantwoording in de zin van artikel 194ter, §1, lid 5 WIB92 worden beschouwd zodat de uitgaven gedaan maximaal zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst tot eind 2019 moeten worden aanvaard als in aanmerking komende uitgaven voor de productie van het desbetreffend audiovisuele werk?

ANTWOORD

De uitgaven die betrekking hebben op de productie en de exploitatie van een bepaald erkend werk en die worden gedaan binnen de zes maanden vóór de ondertekening van de raamovereenkomst, kunnen in voorkomend geval worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven voor zover de productievennootschap voldoende verantwoordt waarom die uitgaven moesten worden gedaan vóór de ondertekening van die raamovereenkomst.

Bij de hervorming van de vennootschapsbelasting werden wijzigingen doorgevoerd die het rendement voor de investeerder trachtten te waarborgen. Er is echter gebleken dat er nog bijkomende correcties nodig zijn, waardoor een wetsvoorstel werd ingediend om deze bijkomende correcties wettelijk vast te leggen.

Doordat deze bijkomende correcties slechts recentelijk werden goedgekeurd, kan de hervorming van de vennootschapsbelasting nog als een in FAQ 3 bedoelde uitzonderlijke omstandigheid worden beschouwd zodat dit eveneens een noodzakelijke verantwoording vormt in de zin van artikel 194ter, §1, vijfde lid, WIB92.

Hierdoor moeten de uitgaven gedaan maximaal zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst tot 31 december 2019 worden beschouwd als in aanmerking komende uitgaven. Deze verantwoording zal na 31 december 2019 niet langer aanvaard worden.

In tussentijd wordt een wetgevend ingrijpen voorbereid zodat de 18 of 24 maanden termijn waarbinnen in aanmerking komende uitgaven moeten gebeuren, voor alle taks shelter regimes op een uniforme wijze wordt verschoven tot zes maanden voor de ondertekening van de raamovereenkomst en 12 of 18 maanden na die datum.

Het zal aan een volgende minister van Financiën zijn om de opportuniteit van deze uniformisering te beoordelen. Door dit wetgevend ingrijpen zou de problematiek die aanleiding gaf tot deze parlementaire vraag evenwel tot het verleden behoren, doordat dit wordt ingeschreven in een duidelijk en welomschreven wettelijk kader.