Parlementaire vraag nr. 441 van de heer Vandeurzen van 17.08.2000

VRAAG 00/441

Vraag nr. 441 van de heer Vandeurzen dd. 17.08.2000

Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 61, blz. 6880-6882

Bull. nr. 817, pag. 1600-1602

Vergoedingen van arbeidsongevallen

VRAAG

De wetgever heeft de artikelen 34, § 1, en 39 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 gewijzigd en hierdoor rijzen een aantal vragen naar de toepassingsmodaliteiten. De wet stelt uitdrukkelijk dat diegene die op pensioen is en die een vergoeding ontvangt ingevolge een arbeidsongeval of een beroepsziekte als aanvulling op een rust- of overlevingspensioen van het vermoeden kan genieten dat de vergoeding geen herstel uitmaakt van een derving van een inkomen.

1.

a)

Wat is de situatie van iemand die op brugpensioen is ?

b)

Moet die het bewijs bijbrengen dat er geen derving is van het inkomen?

c)

Waaruit kan dit bewijs bestaan ?

d)

Kan men niet stellen dat, met betrekking tot de bewijsvoering inzake het bestaan van een inkomensverlies, de persoon die op brugpensioen is zich eigenlijk in dezelfde situatie bevindt als diegenen die genieten van een rustpensioen?

2. Meer algemeen rijst de vraag hoe dikwijls dat iemand het bewijs moet bijbrengen dat er inderdaad geen inkomensverlies is: volstaat het dat het bewijs ten opzichte van de fiscus eenmalig wordt geleverd of moet dit bij elke fiscale aangifte opnieuw worden geleverd?

ANTWOORD

Vooraf wens ik aan te stippen dat de vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid die een bruggepensioneerde ontvangt in het kader van de wetgeving op de arbeidsongevallen of beroepsziekten niet altijd en nooit voor hun volledig bedrag belastbaar zijn.

Voor iemand die geen rust- of overlevingspensioen ontvangt, zijn de vergoedingen immers ook volledig vrijgesteld wanneer het percentage ongeschiktheid niet hoger is dan 20%. In de mate dat de arbeidsongeschiktheid meer bedraagt dan 20% heeft de betrokkene (niet- gepensioneerde) recht op een gedeeltelijke vrijstelling ten belope van de verhouding tussen 20 % en het totale percentage ongeschiktheid. De vergoeding is in dat geval dus slechts gedeeltelijk belastbaar, met dien verstande dat de betrokkene het tegenbewijs kan leveren dat zijn inkomstenverlies lager is dan het voormelde belastbare gedeelte of dat hij geen inkomensverlies heeft geleden.

Het tegenbewijs kan door de belastingplichtige met alle mogelijke bewijsmiddelen worden geleverd en zal door de belastingadministratie ruim worden beoordeeld. Voor zover de toestand ongewijzigd blijft, geldt het geleverde tegenbewijs ook voor de volgende jaren. Indien het belastingdossier voldoende gegevens bevat waaruit kan worden afgeleid dat er geen inkomensverlies is, zal de belastingadministratie de belastingplichtige uiteraard niet vragen om voormeld bewijs te leveren. Voor meer bijzonderheden dienaangaande ben ik zo vrij te verwijzen naar het verslag namens de commissie voor de Financiën en de Begroting (Parl. St., Kamer van volksvertegenwoordigers, zitting 1999-2000, nr. 50- 0746/003, blz. 4, 6 en 8).

Tenslotte meen ik dat de situatie van een bruggepensioneerde niet met die van een rustgepensioneerde kan worden gelijkgesteld, aangezien het brugpensioen een regeling is die sommige - weliswaar oudere - werknemers, in geval van ontslag, de mogelijkheid biedt om benevens de werkloosheidsuitkering, een aanvullende vergoeding te genieten die ten laste komt van de werkgever.