Parlementaire vraag nr. 194 van de heer Anciaux van 14.02.1997

VRAAG 97/194
Vr. en Antw., Senaat, nr. 1-47, 1996-1997, blz. 2359-2360
Bull. 776, pag. 2480
Dossier KB Lux
In het gerechtelijk onderzoek dat momenteel wordt gevoerd naar de KB Lux-affaire is sprake van een aanzienlijke achterstand die werd opgelopen.
Kan de geachte minister zich sterk maken dat die achterstand niet zal leiden tot de verjaring van het dossier op strafrechterlijk gebied met de fiscale gevolgen vandien ? Kan de geachte minister bevestigen en zich garant stellen dat de politieke wil bestaat binnen de regering om ook in dit dossier tot op het bot te gaan ?
ANTWOORD
1. Wat betreft het eerste aspect, dat handelt over de gevolgen van de achterstand in het gerechtelijk onderzoek voor de strafrechtelijke verjaring van de dossiers, maak ik de vraag over aan de minister van justitie, de enige die terzake bevoegd is.
2. Vanuit fiscaal oogpunt moet, op het stuk van de aanslagtermijnen die inzake de inkomstenbelastingen van toepassing zijn, op de volgende elementen gewezen worden :
a) Het eerste en het tweede lid van artikel 354 WIB 92 leggen een termijn van drie jaar en een bijkomende termijn van twee jaar vast in geval van inbreuk op het WIB 92 of zijn uitvoeringsbesluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Artikel 333, WIB 92 regelt de onderzoeksbevoegdheden die gedurende deze termijnen door de administratie kunnen worden uitgeoefend ten aanzien van de belastingplichtige en van derden.
b) Artikel 358, § 1, 3°, WIB 92 biedt bovendien de mogelijkheid om, zelfs na het verstrijken van de in artikel 354 WIB 92 bepaalde termijnen, de belasting of de aanvullende belasting te vestigen ingeval een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in één van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering is ingesteld.
De belasting of de aanvullende belasting moet dan worden gevestigd binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop tegen de beslissing over de rechtsvordering geen verzet of voorziening meer kan worden ingediend.
Deze bijkomende aanslagtermijn verlengt nochtans geenszins de onderzoekstermijn, bepaald in artikel 333, WIB 92.
c) Artikel 327, WIB 92 regelt de verplichtingen van openbare diensten, instellingen en inrichtingen met betrekking tot het onderzoek en de controle. Het betreft inzonderheid artikel 327, § 1, tweede lid, WIB 92 (uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal voor inzage van de akten, stukken, registers, bescheiden of inlichtingen in verband met de rechtspleging) en 327, § 4, WIB 92 (de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken waarbij een strafzaak aanhangig is waarvan het onderzoek ernstige aanwijzingen van belastingontduiking aan het licht brengt, moeten de minister van Financiën hierover inlichten na uitdrukkelijke machtiging van de procureur-generaal).
d) Een laattijdige mededeling - dat wil zeggen buiten de aanslagtermijn bedoeld in artikel 354, WIB 92 - van de inlichtingen bedoeld in artikel 327, § 1, WIB 92 zou bij gevolg een negatieve invloed kunnen hebben op de mogelijkheid om een fiscale herziening door te voeren, vermits zij het de administratie onmogelijk zou maken om voor de betreffende aanslagjaren haar onderzoeksbevoegdheden uit te oefenen en de administratie er zich in dergelijk geval zou moeten toe beperken om herzieningen uitsluitend door te voeren op grond van de elementen die aan het licht gekomen zijn in de loop van het gerechtelijk onderzoek.
3. Wat de successierechten betreft, moet op de volgende elementen gewezen worden :
a) Er is verjaring voor de eis van de rechten, boeten en interesten, verschuldigd in geval van afwezigheid van aangifte of van verzuim van goederen in de aangifte, na tien jaar te rekenen van de dag van het verstrijken van de termijn voor de indiening van de aangifte (vijf maanden in geval van een overlijden in België).
b) Deze verjaring is nochtans verkregen na vijf jaar, indien de onregelmatigheid een in België gelegen onroerend goed betreft of indien ze renten of schuldvorderingen betreft die zijn ingeschreven in de in België gehouden registers van de hypotheekbewaarders, in het grootboek van de staatsschuld of in registers en rekeningen van de openbare diensten van het Rijk. Er wordt aangestipt dat de fiscale administratie inzake successierechten niet beschikt over een gelijkaardige bepaling als die opgenomen in artikel 358, WIB 92.
4. De eventuele achterstand in het verloop van het gerechtelijk onderzoek zou dus op twee niveaus gevolgen kunnen hebben :
  • De elementen dienstig voor het vestigen van de verschuldigde belasting zullen voortvloeien uit het gerechtelijk onderzoek en hun gepastheid zal dus grotendeels afhangen van de kwaliteit van dat onderzoek evenals van de snelheid waarmee het wordt gevoerd;
  • De toestand van de belastingplichtige is eventueel gewijzigd (expatriëring, georganiseerde insolvabiliteit, inbreng van het vermogen in een vennootschap) waardoor de invordering van de te vestigen belasting moeilijk of onzeker wordt.
Bijgevolg vraag ik mijn collega van Justitie met aandrang om alles in het werk te stellen opdat het gerechtelijk onderzoek op optimale wijze zou verlopen.