Parlementaire vraag nr. 576 van de heer Jean-Marc Delizée van 13.09.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/132 dd. 13.10.2013, blz. 374

Roerende voorheffing op jachtrechten

VRAAG

Bij de programmawet van 27 december 2012 werd de roerende voorheffing op jachtrechten van 15 tot 25 procent verhoogd. In sommige gemeenten die eigenaar zijn van jachtgebieden die verpacht worden, bepaalt het jachtrecht dat de huurder de roerende voorheffing moet betalen. Indien de aanslagvoet van de roerende voorheffing in de loop van de pachtovereenkomst gewijzigd wordt, zou het jachtrecht vervallen. Uiteindelijk zouden de gemeenten financieel moeten opdraaien voor de verhoging van de roerende voorheffing, wat voor bepaalde plattelandsgemeenten een aanzienlijke meeruitgave zou betekenen.

1. Is dit inderdaad een van de gevolgen van die nieuwe wetsbepaling ?

2. Werd er in overgangsbepalingen en/of afwijkingen voorzien ?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Artikel 84 van de programmawet van 27 december 2012 heeft de aanslagvoet van de roerende voorheffing van 25% ook van toepassing verklaard op de inkomsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrecht. Dit tarief geldt voor die inkomsten die zijn toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2013. De inkomsten uit de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangstrechten vormen ook voor de gemeenten die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting, een belastbare opbrengst. De gemeenten moeten overeenkomstig artikel 262, 3°, WIB92 als verkrijger van de inkomsten uit de verhuring van een jachtrecht de roerende voorheffing (RV) op deze inkomsten zelf voldoen. Indien de RV ten laste valt van de schuldenaar van het roerend inkomen en dit ter ontlasting van de verkrijger van de inkomsten, wordt die roerende voorheffing aan het bedrag van die inkomsten toegevoegd voor de berekening van de betrokken voorheffing. Dit principe van de "brutering" vindt men terug in artikel 268, WIB92. Ik begrijp dat dit het geval is voor de situatie die door het geachte lid wordt aangehaald waarbij het huurcontract erin voorziet dat de RV wordt gedragen door de huurder. De vraag of de wijziging van de toe te passen aanslagvoet van de RV de nietigheid tot gevolg kan hebben van een overeenkomst gesloten tussen een gemeente en een huurder, behoort niet tot mijn bevoegdheidsdomein.