Parlementaire vraag nr. 435 van de heer Devlies van 13.07.2004
VRAAG 04/435
Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006 nr. 105, blz. 19216-19219
Pensioenen - Feitelijke vrijstelling - Inkomensval
VRAAG
1. Is de progressiviteit een algemeen beginsel in de personenbelasting ?
2. Betekent «progressiviteit » dat de belastingdruk stijgt naarmate het inkomen stijgt maar niettemin het hogere inkomen na belastingen eveneens hoger is dan het lagere inkomen na belastingen ?
3. Betekent «progressiviteit » dat de belastingdruk stijgt naarmate het inkomen stijgt waardoor het hogere belastbaar inkomen na belastingen lager is dan een lager belastbaar inkomen na belastingen ?
4. Hoe verklaart u dat alleenstaande gepensioneerden die uitsluitend een pensioen als inkomen hebben en dus geen enkel ander belastbaar inkomen genieten (Aanslagjaar 2003, 8 % gemeentelijke opcentiemen) :
a) | met een belastbaar pensioen van 11 800 euro op jaarbasis hetzelfde bedrag netto overhouden; |
| b) | met een belastbaar pensioen van 12 500 euro op jaarbasis, na belastingen slechts netto 11 619,47 euro overhouden, met andere woorden minder dan iemand met een lager belastbaar pensioen; |
| c) | met een belastbaar pensioen van 12 800 euro op jaarbasis, na belastingen slechts netto 11 785,55 euro overhouden, met andere woorden minder dan iemand die 1 000 euro minder pensioen ontvangt? |
5. Doet zich hetzelfde fenomeen voor in het aanslagjaar 2004 ?
6. Lost de hervorming van de personenbelasting in 2001 dit probleem op?
7. Kunnen belastingplichtigen die zich in zulke situatie bevinden, verzaken aan een gedeelte van hun pensioen, zodat zij netto na belastingen meer overhouden?
8. Welke oplossing staat u voor om de «progressiviteit » te herstellen zodat een hoger belastbaar pensioen na belastingen nog steeds hoger is dan een lager belastbaar pensioen na belastingen ?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 12.01.2006)
De door het geachte lid geschetste vragen hebben betrekking op de feitelijke vrijstelling bedoeld in artikel 154 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Overeenkomstig het ten eerste van dat artikel is geen belasting verschuldigd «wanneer het totale nettoinkomen uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten en het totale bedrag van die inkomsten niet hoger is dan het maximumbedrag van de wettelijke werkloosheidsuitkering, de anciënniteitstoeslag voor oudere werklozen niet inbegrepen ».
De door het geachte lid aangehaalde problematiek heeft op zich niets te maken met de progressiviteit van de belastingen maar situeert zich inzonderheid in het overschrijden van voormeld maximumbedrag dat de laatste jaren als volgt is geëvolueerd :
- voor aanslagjaar 2003 : 11 848,98 euro;
- voor aanslagjaar 2004 : 12 008,04 euro;
- en voor aanslagjaar 2005 : 12 206,35 euro.
Zolang voor een bepaald aanslagjaar het respectieve bedrag niet is overschreden, is het inkomen dat uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten voor dat betrokken aanslagjaar niet belastbaar.
Wanneer dit uitzonderingsregime, de feitelijke belastingvrijstelling, evenwel niet van toepassing is, omdat
- ofwel het maximumbedrag van de feitelijke vrijstelling werd overschreden,
- ofwel het belastbare inkomen niet uitsluitend bestaat uit pensioenen of vervangingsinkomsten,
wordt het inkomen belastbaar en wordt de in artikel 147, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek bedoelde belastingvermindering toegekend.
In 2003 werden de pensioenbedragen merkelijk verhoogd. Hierdoor is het inderdaad mogelijk dat het maximumbedrag van de werkloosheidsuitkeringen wordt overschreden, zodat vanaf dat ogenblik de pensioenen en vervangingsinkomsten in hoofde van sommige alleenstaande belastingplichtigen aan de belasting moeten worden onderworpen.
De belastinghervorming staat uiteraard los van deze pensioenverhogingen en beoogt ter zake in eerste instantie de discriminatie die bestond tussen, enerzijds, gehuwde en, anderzijds, feitelijk samenwonende gepensioneerden op te heffen. Dit is vanaf aanslagjaar 2005 gerealiseerd door de belastingvermindering vermeld in artikel 147, 1° en 2°, van voormeld Wetboek individueel per echtgenoot toe te kennen en niet langer per gezin.
Ik ben er mij evenwel van bewust dat door het overschrijden van bedoeld maximumbedrag, het bekomen inkomenssupplement in sommige gevallen opgeslorpt kan worden door het verschuldigd belastingsupplement.
Ik heb mijn administratie de opdracht gegeven voorstellen op te maken die toelaten een brutale verhoging van de belasting te vermijden rekening houdende met de overschrijding van de bedoelde inkomensgrens.
Toch is het nog steeds zo dat vervangingsinkomsten in mindere mate worden belast dan inkomsten uit arbeid en dat in vergelijking met de loon- en weddetrekkenden de gepensioneerden doorgaans een gunstiger fiscaal regime genieten.
Voor het overige behoort de vraag of een gepensioneerde het recht heeft een gedeelte van zijn pensioenrechten te verzaken, in eerste instantie tot de bevoegdheid van de minister van Pensioenen. (Vraag nr. 141 van 12 januari 2006.)
Bron: FisconetPlus
