Parlementaire vraag nr. 23241 van de heer Luk Van Biesen van 06.02.2018

Kamer, Integraal verslag – Commissie voor de Financiën, 2017-2018, CRIV 54 COM 812 d.d. 06.02.2018, blz. 11

De speciale bijdrage indien er onvoldoende bezoldiging aan één bedrijfsleider-natuurlijk persoon wordt uitgekeerd

VRAAG (van de heer Van Biesen)

Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijnheer de minister, mijn volgende vraag handelt over de discussie die wij hier met de UCM hebben gevoerd over de bepaling van de 45 000 euro minimumbezoldiging. Ik zou graag aan de hand van een concreet voorbeeld de juiste zienswijze en interpretatie kennen. Deze vraag, ik geef dat eerlijk toe, wordt gesteld namens de diverse federaties van accountants en fiscalisten. Het is een vraag om verduidelijking, om via parlementaire weg zekerheid te hebben. Door de wet van 25 december 2015 inzake de hervorming van de vennootschapsbelasting werd een nieuw artikel ingevoerd dat duidelijk zegt dat de minimale bezoldiging 45 000 euro moet zijn. Indien de bezoldiging echter minder bedraagt dan 45 000 euro, moet de minimale bezoldiging minstens gelijk zijn aan het resultaat van het belastbare tijdperk. Het is niet volledig duidelijk hoe de bezoldiging moet berekend worden die, indien ze minder dan 45 000 bedraagt, minimaal dient uitgekeerd te worden. Stel, er is een resultaat van een belastbaar tijdperk, voor aftrek van enige bedrijfsleidersbezoldiging, van 50 000 euro en een bedrijfs-leidersbezoldiging van 10 000 euro. Daardoor is het resultaat van het belastbaar tijdperk 40 000 euro. Volgens een eerste interpretatie moet de minimale bezoldiging minstens gelijk zijn aan het belastbaar resultaat na bezoldiging en dus 40 000 euro bedragen. De bijzondere aanslag conform artikel 219 wordt dan op 30 000, zijnde 40 000 min 10 000, geheven. Een tweede interpretatie stelt dat de minimale bezoldiging minstens gelijk moet zijn aan de helft van het resultaat na bezoldiging. Dat is dus 40 000 maal 50 %, dat maakt 20 000. De bijzondere aanslag wordt dan geheven op 10 000 euro, zijnde 20 000 min 10 000 euro bezoldiging. Een derde interpretatie stelt dat de minimale bezoldiging minstens gelijk moet zijn aan de helft van het resultaat van de bezoldiging. Dat is 50 000 maal 50 %, dat maakt 25 000. De bijzondere aanslag wordt dan geheven op 15 000, zijnde 25 000 min 10 000 euro bezoldiging. Dat zijn dus drie verschillende mogelijke interpretaties voor hetzelfde probleem. De vraag is natuurlijk wat de juiste is.

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Biesen, in het geval dat door u hier aangehaald en uitgebreid gedocumenteerd wordt, is het de derde interpretatie die de correcte interpretatie is. Ik wil er trouwens op wijzen dat deze interpretatie overeenstemt met de toepassing van artikel 215, derde lid, punt 4, het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 voor de toepassing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. De interpretatie van deze regel werd niet gewijzigd door de hervorming van de vennootschapsbelasting.

Luk Van Biesen : Dank u wel, mijnheer de minister.