Parlementaire vraag nr. 9 van de heer Devlies van 09.01.2008
Vragen en Antwoorden, Kamer, 2007-2008, nr. 011, blz. 1599-1603
Horecasector - Boekhoudkundige verplichtingen
VRAAG
Zowel door de taxatieambtenaren als door de opsporingsdiensten verbonden aan de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit worden in de horecazaken op het einde van ieder kalenderjaar al dan niet aangekondigde bezoeken ter plaatse uitgevoerd met het oog op het grondig nazicht van de boekhouding.
Die controleacties hebben daarbij zowel betrekking op de naleving van de BTW-wetgeving als van de wetgeving en reglementering inzake inkomstenbelastingen.
1. Is een horecazaak die uitbaat in vennootschapsvorm inzake directe belastingen, inzake BTW en op boekhoudkundig vlak wettelijk of reglementair verplicht om dagelijks zowel tegelijkertijd een «kasdagboek» als een «dagontvangstenboek» op een manuele of op een geïnformatiseerde wijze bij te houden ?
2. Op grond van welke wettelijke of reglementaire bepalingen is iedere belastingplichtige enerzijds wettelijk verplicht steeds een kasregister te hebben, te gebruiken en daarmee kastickets af te leveren, en, anderzijds als hij er één zou moeten hebben om de door de machine afgedrukte telbanden chronologisch een aantal kalenderjaren bij te houden ?
3. In welke verschillende kas- en dag(ontvangsten) boeken of kasregisters en wanneer moeten de ontvangsten via krediet- en betaalkaarten dagelijks al dan niet gelijktijdig of dubbel worden geboekt ?
4. Wanneer worden de dagontvangsten, met inbegrip van de voorschotten, genoten via betaal- of kredietkaarten, belastbaar in de vennootschapsbelasting en in welke periodieke BTW-aangiften moeten zijn opnieuw worden opgenomen ?
5. Op welk precies tijdstip moet in de vijf volgende gevallen door de horecazaken, werkzaam onder vennootschapsvorm, telkens verplichtend een BTW-bonnetje én een kasticket worden uitgereikt en de boekhoudkundige en fiscale verwerking alsook de resultaatsbepaling te gebeuren :
a) bij de betaling van een voorschot uitgevoerd via een bank- en postoverschrijving ?
b) bij de betaling van een voorschot via een krediet- of betaalkaart ?
c) bij de betaling van een voorschot in contanten ?
d) bij de betaling van het saldo in contanten ?
e) bij de betaling van het saldo via betaal-kredietkaart ?
Die fiscale en boekhoudkundige problematiek stelt zich in de praktijk vooral tijdens de overdrukke eindejaarsperiode, die tezelfdertijd valt in de periode van de afsluiting van de jaarrekening (31/12), waarbij de voorschotbetalingen gebeuren in het kalenderjaar N, de maaltijden en dranken worden verbruikt zowel vóór als na middernacht en de betalingen slechts gebeuren in het jaar N+1 (= op 1 januari).
6. Moet de horeca-uitbater aan de voorschotbetaler, die al dan niet ook de hoedanigheid van rechtspersoon bezit en per bank- of postoverschrijving betaalt, direct een «BTW-ontvangstbewijs» uitschrijven en het dan per post opsturen of desgevallend het origineel zelf bewaren ? Of moet er, eenvoudigheidshalve maar één BTW-kwitantie worden uitgereikt op het tijdstip van de eindafrekening en de vereffening van het saldo ? Of volstaat daarentegen een (voorschot)factuur of rekening ?
7. Kan u punt per punt uw onderrichtingen meedelen, zowel in het licht van de thans vigerende fiscale en boekhoudkundige bepalingen als van het charter voor een klantvriendelijke overheid ?
ANTWOORD (vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 26.02.2008)
Ik heb de eer het geachte lid het volgende mede te delen.
1. De boekhouding van de belastingplichtigen, behalve van degenen die uitsluitend handelingen verrichten bedoeld in artikel 8bis van het Wetboek, bevat, overeenkomstig artikel 14, § 2, 3°, 1e lid, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde, een dagboek per bedrijfszetel waarin zij de ontvangsten inschrijven met betrekking tot de handelingen waarvoor zij niet verplicht zijn een factuur uit te reiken en waarvoor zij geen factuur hebben uitgereikt.
Dit dagboek kan op papier worden gehouden in overeenstemming met de bepalingen van artikel 15, §1, tweede en derde lid van voornoemd koninklijk besluit of op elektronische wijze overeenkomstig de modaliteiten opgenomen in de beslissingen nr. ET 112-577 van 8 november 2007 en nr. ET 112 577/2 van 12 februari 2008 (zie www.fisconet.fgov.be). De inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten gebeuren van dag tot dag.
De belastingplichtigen die over meerdere bedrijfszetels beschikken moeten bovendien een centralisatiedagboek bijhouden waarin zij op het einde van de aangifteperiode, per tarief, het totaalbedrag van de ontvangsten inschrijven van dat tijdvak, ingeschreven in de verschillende dagboeken van ontvangsten. Dit centralisatiedagboek kan eveneens ofwel op papier, ofwel elektronisch worden bijgehouden.
Deze verplichtingen gelden ook voor belastingplichtigen die werkzaam zijn in de horecasector.
Enige nuancering is hier nochtans gepast.
Immers, bepaalde belastingplichtigen binnen de horecasector zijn voor welbepaalde handelingen verplicht aan hun klanten overeenkomstig artikel 22, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1, rekeningen of ontvangstbewijzen uit te reiken Deze rekeningen en ontvangstbewijzen kunnen krachtens § 9 van hetzelfde artikel en mits voldaan aan de vereiste voorwaarden opgenomen in de aanschrijving nr. 6 van 27 april 1999 vervangen worden door bons van een kasregister. Wanneer deze bons van een kasregister overeenkomstig de beslissing nr. ET 103 592 van 2 juni 2003 met betrekking tot de digitale bewaring van kasticketten worden aangemaakt en bijgehouden zijn de betrokkenen ervan ontheven een dagboek van ontvangsten per bedrijfszetel bij te houden en mogen zij zich beperken tot het bijhouden van een centralisatieboek.
Bovendien wordt opgemerkt dat de administratie aanvaardt dat het dagboek van ontvangsten inzake de BTW-wetgeving wordt gecombineerd met de dagboeken die ingevolge de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen dienen te worden gehouden.
Inzake inkomstenbelastingen dient elk gecreëerd boekhoudkundig verantwoordingsstuk bewaard te worden overeenkomstig artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992).
Het WIB 1992 legt aan de belastingplichtige geen bijzondere voorwaarde op voor wat de aard van deze boeken en bescheiden betreft behoudens hetgeen artikel 320, WIB 1992, bepaalt ten aanzien van de vrije beroepen.
2. Voor de toepassing van de BTW is het gebruik van een kasregister niet verplicht. Doch de bons van een kasregister zijn een voorbeeld van verantwoordingsstukken ter staving van de inschrijvingen in het dagboek van ontvangsten zoals artikel 15, § 2, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde vereist. Mits de betrokkene de vereiste voorwaarden naleeft wordt het bovendien door de administratie aangereikt als alternatief voor de verplichte uitreiking van voormelde rekeningen of ontvangstbewijzen zoals bedoeld in artikel 22, § 9 van het koninklijk besluit nr. 1.
Belastingplichtigen die gebruik maken van dergelijk kasregister zijn verplicht dagelijks een papieren controleband af te drukken die ze, na op de buitenzijde de datum van de handelingen en eventueel het nummer van het kasregister te hebben aangetekend, op basis van artikel 60, §1, van het BTW-Wetboek gedurende zeven jaar, te rekenen vanaf de eerste januari van het jaar volgend op hun datum, moeten bewaren en bovendien per datum en desgevallend per kasregister moeten rangschikken.
Belastingplichtigen die echter binnen het toepassingsveld van de voormelde beslissing nr. ET 103 592 van 2 juni 2003 met betrekking tot de digitale bewaring van kasticketten vallen moeten deze papieren controleband niet afdrukken en mogen de gegevens van de door hen verrichte handelingen uitsluitend digitaal bewaren. Zij dienen wel de nodige maatregelen te treffen opdat de authenticiteit van de herkomst en de integriteit van de inhoud van de aan hun klanten uitgereikte ticketten alsmede de leesbaarheid ervan kan gegarandeerd worden tijdens de volledige bewaringstermijn.
3 tot 5. Krachtens artikel 22, § 4, van het koninklijk besluit nr. 1 moet een rekening- of ontvangstbewijs eventueel onder de gestelde voorwaarden vervangen door een bon van een kasregister) aan de klant worden uitgereikt op het tijdstip waarop de dienst voltooid is Ten aanzien van de hotelinrichtingen wil dit zeggen, wanneer het verblijf van de klant in de inrichting ophoudt of wanneer een gedeeltelijke afrekening wordt opgemaakt. Ten aanzien van de inrichtingen waar regelmatig maaltijden worden verbruikt is dit op het tijdstip waarop de klant zijn maaltijd heeft beëindigd of ten laatste wanneer hij de inrichting verlaat. Voor de maaltijden evenwel die in hotel-restaurants worden verstrekt aan personen die in de inrichting logeren, moet geen afzonderlijke rekening worden uitgereikt indien de prijs van de maaltijd niet onmiddellijk wordt betaald In dergelijk geval dient de hotelrekening de prijs van de maaltijden te begrijpen.
Wanneer er op het moment van de voltooiing van de dienst een factuur wordt uitgereikt met betrekking tot die handeling, ongeacht of het de totaalfactuur betreft dan wel de eindfactuur die verwijst naar een eventuele voorschotfactuur, vervangt deze factuur evenwel de rekening of het ontvangstbewijs.
Bedoelde diensten worden in het dagontvangstenboek opgetekend naarmate de incassering van de prijs Bovendien is ook op dat moment de belasting overeenkomstig artikel 17 van het koninklijk besluit nr. 1 opeisbaar.
Bij betalingen in contanten vinden de drie voormelde feiten plaats op hetzelfde tijdstip en stelt zich meestal geen probleem.
Bij betalingsverrichtingen door middel van betaal- of kredietkaarten en bank- of postoverschrijvingen daarentegen wordt de prijs in principe geïncasseerd, en is bijgevolg de belasting opeisbaar, op het moment dat de boeking op de rekening van de dienstverrichter gebeurt. Dit tijdstip valt dus niet samen met de voltooiing van de dienst. Deze bedragen worden in het dagontvangstenboek opgetekend op het moment dat het bedrag op de rekening van de dienstverrichter is terechtgekomen. Er wordt benadrukt dat dit tijdstip geenszins het tijdstip beïnvloedt waarop een rekening of ontvangstbewijs moet worden uitgereikt.
De betreffende handelingen worden opgenomen in de BTW-aangiften die betrekking heeft op de periode waarop de belasting over de handelingen opeisbaar is geworden.
Inzake inkomstenbelastingen wordt, overeenkomstig artikel 360, WIB 1992, de voor een aanslagjaar verschuldigde belasting gevestigd, op de inkomsten die de belastingplichtige in het belastbaar tijdperk heeft verkregen en bepaalt de Koning het belastbare tijdperk en de inkomsten die daartoe behoren.
De winst die uit een boekhouding blijkt, wordt geacht verkregen te zijn op de datum van afsluiting van het boekjaar waarop zij betrekking heeft (artikel 205, 1°, koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992).
De belastbare winst van een vennootschap wordt, behoudens uitdrukkelijke afwijkingen door de fiscale wet, vastgesteld overeenkomstig de regels van het boekhoudrecht (Cass. 20 februari 1997).
6. De betaling van een voorschot vereist de opmaak van een ontvangstbewijs niet. Op het moment van de voltooiing van de dienst dient er evenwel een rekening of ontvangstbewijs uitgereikt te worden voor het totale bedrag, tenzij er op dat moment een factuur wordt uitgereikt met betrekking tot deze handeling, ongeacht of het de totaalfactuur betreft dan wel de eindfactuur die verwijst naar een eventuele voorschotfactuur.
