Parlementaire vraag nr. 221 van de heer Bacquelaine van 19.01.2004

VRAAG 04/221
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 26, blz. 4006-4007
Gerechtsdeurwaarders - Sectoraal onderzoek - Forfaitaire kosten - Bewijs
VRAAG
In het kader van het fiscaal sectoraal onderzoek bij de gerechtsdeurwaarders werden sommigen onder hen met het oog op de wijziging van hun inkomsten verplicht een akkoord te sluiten met de administratie. Dit akkoord behelsde de opening van een bijzondere termijn van vijf jaar. Bij weigering liepen ze het gevaar op aanzienlijke verhogingen.
Bij de ondertekening van het akkoord hebben de gerechtsdeurwaarders evenwel schriftelijk hun voorbehoud over een bedrieglijk opzet gemaakt.
Volgens de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders zou de minister van Financiën via een mededeling aan het persagentschap Belga hebben bekend gemaakt dat naar zijn mening de gerechtsdeurwaarders geen bedrieglijk opzet hadden. Het ging om een foutieve boeking als uitgave van erelonen die hen verschuldigd waren voor opzoekingen die ze in het Rijksregister hadden verricht naar de identiteit en de woonplaats van de rechtzoekende. Deze verkeerde boeking was het gevolg van een onjuiste interpretatie van een richtlijn van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders.
Kan u dit bevestigen en een afschrift van de mededeling aan het persagentschap Belga bezorgen?
ANTWOORD (minister van Financiën, 26.03.2004)
Het door het geachte lid geschetste probleem heeft betrekking op de sommen die de gerechtsdeurwaarders vragen voor het opzoeken van inlichtingen, onder andere, bij het Rijksregister.
Uit de vaststellingen die terzake door de fiscale administratie ter voorbereiding van het sectoriëel onderzoek waarover het hier gaat, zijn gemaakt, kan opgemaakt worden dat de gerechtsdeurwaarders, op basis van de richtlijnen die gegeven zijn door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders, voor de desbetreffende opzoekingen, een forfait in kosten brengen, die de reële kost van de raadpleging overtreft.
Naar aanleiding van een op initiatief van de Nationale Kamer van de gerechtsdeurwaarders over onder andere deze problematiek gehouden vergadering heeft de fiscale administratie meegedeeld:
  • dat voor het bepalen van de netto belastbare winst, de ontvangsten evenals de kosten en de uitschotten die eigen zijn aan de uitoefening van het beroep voor hun werkelijke aard en waarde in aanmerking moeten genomen worden; dat het hier een fiscale basisregel betreft die de gerechtsdeurwaarder niet kan negeren;
  • dat de handelwijze van een gerechtsdeurwaarder om uitschotten in rekening te brengen die hoger zijn dan de reële kost voortvloeit uit een voornemen om de belastbare grondslag op een onwettige wijze te verkleinen en belasting te ontduiken, wat de mogelijkheid opent voor de toepassing van de artikelen 333, derde lid, en artikel 354, tweede lid, van het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992, met betrekking tot respectievelijk de onderzoekstermijn en de aanslagtermijn.
De Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders heeft dit standpunt ter kennis gebracht van alle gerechtsdeurwaarders en hen laten weten dat in geval van spontane rechtzetting van hun fiscale aangiften, enkel een belastingverhoging van 10% zou weerhouden worden.
De toepassing van dit tarief past in het kader van een aangepast en afgestemd sanctiebeleid gezien de pro-actieve en positieve houding van vermelde kamer.
Dit sanctiebeleid is er voornamelijk op gericht om het toepasselijke tarief van de belastingverhoging van 50% in het geval van opzettelijke overtredingen terug te brengen tot 10% of 20% naargelang de gerechtsdeurwaarder zijn aangiften spontaan rechtzet hetzij op het verzoek van bovenbedoelde nationale kamer, hetzij op uitnodiging van de administratie.
Dit doordacht sanctiebeleid heeft ertoe geleid dat het overgrote deel van de gerechtsdeurwaarders zich akkoord verklaart met een rechtzetting.