Parlementaire vraag nr. 10 van mevrouw Pieters van 20.08.2003

VRAAG 03/010

Vraag nr. 10 van mevrouw Pieters dd. 20.08.2003


Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 010, blz. 1238-1240

Bericht van wijziging - Wederantwoord - Vervangende aanslag - Nietigheid van aanslag

VRAAG

Met de artikelen 346, vijfde lid, en 352bis van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 heeft de moderne fiscale wetgever de eerder bestaande administratieve praktijk (zie commentaar nr. 346/4) willen regelen door expliciet te bepalen dat de belastingplichtige voortaan zorgvuldig moet worden geïnformeerd omtrent het precieze gevolg dat de belastingadministratie heeft gegeven aan zijn antwoord op een bericht van wijziging van aangifte of aan zijn opmerkingen op een kennisgeving van aanslag van ambtswege.

Die informatieverplichting slaat enerzijds op de opmerkingen van de belastingplichtige waarmee géén rekening werd gehouden bij het inkohieren van de al dan niet ambtshalve aanslag en anderzijds inzonderheid op de wettige motieven en argumenten die de administratieve beslissing in rechte en in feite volkomen rechtvaardigen.

Met ingang van 1 oktober 2000 vormt die kennisgeving van beslissing tot taxatie in principe dan ook een noodzakelijke procedurehandeling waarvan het ontbreken ervan volgens bepaalde recente administratieve onderrichtingen de nietigheid van de (ambtshalve) aanslag tot gevolg kan hebben.

Terzake rijzen in de praktijk evenwel nog steeds de volgende algemene pertinente vragen waarop ik graag uw huidige algemene ziens- en handelwijze zou kennen zowel in het licht van de bepalingen van de artikelen 346, vijfde lid, 352bis en 355 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 als van de beginselen van behoorlijk en klantvriendelijk bestuur en in het licht van de richtlijnen opgenomen in eerdergenoemde circulaire van 29 juli 2002.

1. Moet in alle vier van de onderstaande gevallen de kwestieuze al dan niet ambtshalve aanslag daadwerkelijk telkens meteen "geheel" of "gedeeltelijk" worden "nietig" verklaard wanneer:

a) de kennisgeving van de beslissing tot taxatie (drukwerk nr. 279T) niet werd verstuurd aan de belastingplichtige;

b) het drukwerk nr. 279T onder gewone omslag werd verstuurd;

c) het drukwerk nr. 279T niet werd ondertekend door de verantwoordelijke dienstleider-taxatieambtenaar;

d) dit wederantwoord (276T) aan de belastingplichtige niet op afdoende wijze werd gemotiveerd in de strikte zin van de wet van 29 juli 1991 houdende motivering van de bestuurshandelingen, met andere woorden wanneer de argumentatie van de belastingplichtige niet punt per punt integraal en nauwgezet werd weerlegd?

2. Gelden hierbij zowel alle voorschriften van behoorlijk bestuur als de administratieve richtlijnen vervat in de nrs. 6 en volgende van de circulaire AOIF nr. 21/2002 gepubliceerd in het Bulletin der belastingen nr. 830/10.2002, blz. 2650?

3. Moet, inzonderheid in acht genomen alle algemene en bijzondere regels van behoorlijk bestuur, in elk van de bovenstaande gevallen de eventueel onrechtmatig gevestigde (ambtshalve) aanslag in de vennootschapsbelasting of in de personenbelasting telkens worden rechtgezet bij toepassing van artikel 355 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992:

a) zodra een aanslag in principe vatbaar is voor nietigverklaring;

b) wanneer de fiscus toch nooit meer een belastbaar inkomen zal kunnen aantonen?

c) Zo ja, op grond van telkens welke wettige en gemotiveerde redenen?

4.

a) Moet na een nietigverklaring eventueel alleen maar de procedure van wederantwoord voorzien bij artikel 346, eerste lid, of artikel 352bis, vijfde lid, WIB 1992, opnieuw worden verricht?

b) Of moet daarentegen de wijzigingsprocedure van artikel 346, eerste lid, of van artikel 351 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 integraal worden overgedaan?

c) Deelt u de moderne en klantvriendelijke visie dat de taxatieambtenaren voortaan nochtans alles in het werk moeten stellen om in alle gevallen steeds de procedure van meet af aan ernstig en correct te laten verlopen om zodoende de belastingplichtige niet meer werkoverlast te bezorgen dan nodig?

5. Welke verantwoordelijke taxatieambtenaar moet in het licht van artikel 379 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in dergelijke gevallen de nieuwe betwisting over de vervangende aanslag van artikel 355 gaan verdedigen ten overstaan van de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg, ongeacht het feit of er al dan niet terzelfder tijd een eis tot burgerlijke schadevergoeding werd ingediend?

ANTWOORD (minister van Financiën, 24.11.2003)

1. Het antwoord luidt bevestigend, met dien verstande dat wat het punt b) betreft verdedigd kan worden dat de aanslag niet vernietigd hoeft te worden wanneer uit de feitelijke gegevens blijkt dat de belastingplichtige wel degelijk de kennisgeving van beslissing tot taxatie heeft ontvangen en wat punt c) betreft de verantwoordelijke dienstleider een delegatie kan verlenen aan één of meerdere medewerkers om de kennisgevingen van beslissing tot taxatie te ondertekenen. Wat de motivering van de desbetreffende kennisgeving betreft [punt d)] wordt bovendien gepreciseerd dat het volstaat dat de niet weerhouden elementen voldoende weerlegd worden.

2. Het antwoord luidt bevestigend.

3. Het staat de administratie inderdaad niet vrij af te zien van de invordering van een belasting. Daarom moet er steeds een vervangende aanslag bij toepassing van artikel 355 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, worden gevestigd zodra de daartoe gestelde wettelijke voorwaarden vervuld zijn. 4.

a) Het antwoord luidt bevestigend.

b) Zonder voorwerp.

c) Het antwoord luidt bevestigend.

5. De taxatieambtenaar op wiens initiatief de eventueel betwiste nieuwe belastbare grondslag werd vastgesteld zal het dossier voor de rechtbank van eerste aanleg dienen te verdedigen.