Parlementaire vraag nr. 800 van mevrouw Pieters van 25.05.2005

VRAAG 05/800
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 089, blz. 15745-15747
Beroepskosten - Akkoorden - Raming
VRAAG
Krachtens artikel 50, § 1, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 mogen de kosten waarvan het bedrag niet is verantwoord, in overleg met de administratie op een "vast bedrag" worden bepaald. Indien geen akkoord wordt bereikt, taxeert de administratie die kosten op een redelijk bedrag.
Dit wetsartikel heeft in beginsel alleen betrekking op forfaitaire beroepskosten aftrekbaar inzake personenbelasting.
Normaliter mag luidens het administratief commentaar op het WIB 1992 een dergelijk zonder voorbehoud gesloten akkoord niet worden herzien, tenzij voor de toekomst. Het is met andere woorden dus niet toegelaten een uitdrukkelijk en/of een stilzwijgend gesloten akkoord met terugwerkende kracht op te zeggen.
1. In acht genomen het feit dat iedere inschrijving in de boekhouding van een rechtspersoon onderworpen aan de wet op de boekhouding, behalve wat de afschrijvingspercentages betreft, in principe moet gestaafd zijn door een gedagtekend verantwoordingsstuk, waarnaar uitdrukkelijk moet worden verwezen, rijst de algemene juridische vraag of die wettelijke bepalingen en het commentaar op genoemd artikel 50, § 1, WIB 1992 zowel op boekhoudkundig als op fiscaal vlak eveneens onverminderd gelden voor alle mogelijke forfaitaire en niet door bewijsstukken verantwoorde beroepskosten aftrekbaar inzake vennootschapsbelasting?
2. Graag terzake uw huidige ziens- en handelwijze zowel onder meer in het licht van de wettelijke bepalingen van de artikelen 2, § 1, 9°; 50, § 1; 183, 185, 333 en 340 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 als van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen en de erop betrekking hebbende uitvoeringsbesluiten en adviezen van de Commissie voor boekhoudkundige normen.
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 25.05.2005)
Op het fiscale vlak kan ik het geachte lid meedelen dat overeenkomstig artikel 183, in fine van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) het aan de vennootschapsbelasting onderworpen inkomen vastgesteld wordt volgens de regels die op de winsten van de in de aanhef van artikel 24, WIB 1992 bedoelde ondernemingen van toepassing zijn.
Hieruit volgt dat de bepalingen van de artikelen 49 tot 66, WIB 1992 - behoudens de in artikel 51, WIB 1992 bedoelde forfaitaire beroepskosten - op het stuk van de beroepskosten eveneens gelden wat de vennootschapsbelasting betreft, onder voorbehoud van enkele uitdrukkelijk voorgeschreven afwijkingen.
De kosten dienen derhalve in het belastbare tijdperk te zijn gedaan of gedragen om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en moeten worden verantwoord door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed (artikel 49, WIB 1992).
Kleine kosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd (parkeerkosten van voertuig, uitgaven voor onderhoudsproducten van beroepslokalen, kleine kantoorkosten, aankoopkosten voor beroepsmatige tijdschriften, kleine inkopen van farmaceutische producten, ...) mogen door de taxatieambtenaar in overleg met de belastingplichtige (die zowel handelaar, industrieel of vennootschap kan zijn) op een vast bedrag worden bepaald of op een redelijk bedrag worden geraamd door deze ambtenaar (artikel 50, § 1, WIB 1992).
Wat het boekhoudkundige aspect van de vraag betreft, kan ik het geachte lid verwijzen naar mijn collega van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid die ter zake bevoegd is (vraag nr. 288 van 25 mei 2005).