Parlementaire vraag nr. 586 van de heer de Clippele van 01.06.1993

VRAAG 93/586

Vraag nr. 586 van de heer de Clippele dd. 01.06.1993


Bull. nr. 732, pag. 3262

Beroepskosten - Interesten

Aangezien voor artikel 55 van het WIB geen algemene uitvoeringsbepalingen zullen worden uitgevaardigd door de Koning, vragen vele commentators zich af welke methode ze moeten hanteren om de marktrente te bepalen. Iedereen wil verhinderen dat rechtsonzekerheid ontstaat doordat de referentievoet niet gekend is, en tegelijkertijd wenst men individueel marchanderen tussen iedere ontlener en zijn controleur van de belastingen onmogelijk te maken.

Men zou zich derhalve kunnen voorstellen dat het departement Financiën, op grond van de statistische middelen waarover het in tegenstelling tot de gewone belastingplichtige beschikt, elk jaar een gemiddelde marktrente publiceert, die geen bindend karakter zou hebben maar een aanwijzing zou zijn. Met die oplossing zou de wet worden nageleefd en worden voorkomen dat men ter zake in het duister tast.

Overweegt u die oplossing ?

ANTWOORD

Artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is gewijzigd door artikel 9 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, heeft de vroegere regeling volgens welke de mate van aftrekbaarheid van sommige interesten werd bepaald overeenkomstig een door de Koning vastgestelde rentevoet, verhoogd met 3 punten, afgeschaft om beter rekening te kunnen houden met de werkelijke toestand waarin de schuldenaar verkeert, onder meer gelet op zijn financiële mogelijkheden, de looptijd van de lening, de munt waarin de lening is uitgegeven, alsook op de bijzondere gegevens eigen aan de beoordeling van het aan de verrichting verbonden risico.

Overeenkomstig artikel 49 van het voornoemde wetboek berust de bewijslast bij de belastingplichtige. Hij moet de taxatieambtenaar de redelijke overtuiging bijbrengen dat de rente die hij betaalt niet hoger is dan de marktrente rekening houdend met de feitelijke omstandigheden waarin het krediet werd bekomen. Vanzelfsprekend wordt hem dienaangaande de grootst mogelijke vrijheid in de wijze van bewijsvoering gelaten.

Om die reden kan ik mij niet aansluiten bij het door het geacht lid gedane voorstel dat de administratie, zij het louter indicatief, jaarlijks een lijst van gemiddelde marktrentevoeten zou publiceren.

Naast het feit dat zo'n lijst door de omstandigheden zelf bezwaarlijk volledig zou kunnen zijn, zou ze daarenboven een verholen terugkeer naar het vroegere stelsel betekenen, waarbij de maximumrentevoeten door de overheid werden bepaald.