Parlementaire vraag nr. 1069 van de heer Tant van 06.10.1997
VRAAG 97/1069
Vr. en Antw., Kamer, 1997-1998, nr. 104, blz. 14152-14153
Bull. nr. 780, pag. 574
Tweede huwelijk. - Kapitaalaflossingen.
VRAAG
Het welbekende "Arrest-Orban" van het Hof van cassatie voorzag in de opsplitsing van de belastingvermindering in de personenbelastingen tussen echtgenoten, met betrekking tot de kapitaalaflossingen.
Daarenboven vinden we in de commentaren op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de volgende bepalingen:
"Com.IB 145^5/25: De omstandigheid dat de schuldsaldoverzekering alleen op het hoofd van de man of de vrouw is gesloten ..., vormt geen beletsel voor de toepassing van die regel (hiermee wordt de keuze van de omdeling bedoeld).
Com.IB 145^5/26: Voor de toepassing van Com.IB 145^5/25 is met andere woorden vereist dat beide echtgenoten minstens gedeeltelijk een eigendomsrecht in de beoogde woning hebben."
Veronderstel nu dat een gescheiden belastingplichtige in 1993 een woning heeft gekocht met een hypothecaire lening, gewaarborgd door een schuldsaldoverzekering en dat deze verwerving voldoet aan alle voorwaarden van belastingvermindering voor kapitaalaflossingen. Deze persoon huwt in 1994 en er wordt een huwelijkscontract opgemaakt door een notaris, waarbij de woning en de hypothecaire schuld in de gemeenschap wordt gebracht. Uiteraard werd in dit geval de woning niet aangekocht door de nieuwe echtgenote en was deze echtgenote ook niet betrokken bij het oorspronkelijke aangaan van de lening en de schuldsaldoverzekering.
Heeft dit echtpaar, uitgaande van deze veronderstellingen, voor de gezamenlijke aangifte in de personenbelasting - dus vanaf het aanslagjaar 1996 - recht op een omdeling van de belastingvermindering voor kapitaalaflossingen ?
ANTWOORD
Voor zover uiteraard aan alle in de wet gestelde voorwaarden is voldaan, mag het bedrag van de kapitaalaflossingen door de echtgenoten in aanmerking worden genomen volgens de door hen vastgestelde wijze van omdeling, op voorwaarde dat de woning tot de huwelijksgemeenschap behoort of in onverdeeldheid aan beide echtgenoten toebehoort, en dat de lening hoofdelijk en onverdeeld door beide echtgenoten is aangegaan.
Aangezien de laatstgenoemde voorwaarde in het door het geacht lid beoogde geval niet vervuld is, luidt het antwoord op zijn vraag ontkennend. De echtgenote zal slechts op de desbetreffende belastingvermindering aanspraak kunnen maken indien en van zodra de lening wordt omgezet in een lening die hoofdelijk en onverdeeld door beide echtgenoten is aangegaan.
Bron: FisconetPlus
