Parlementaire vraag nr. 528 van de heer Fournaux van 09.11.2004
VRAAG 04/528
Vraag nr. 528 van de heer Fournaux dd. 09.11.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 70, blz. 11613-11614
Tekenen en indiciën
VRAAG
Op 26 oktober 2001 heeft de heer Claude Eerdekens u een vraag gesteld over de evaluatiemethode die gebruikt wordt bij de vaststelling van de belastbare grondslag op grond van tekenen en indiciën van de zogeheten gezinsuitgaven (vraag nr. 816, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 143, blz. 18109).
Uit het antwoord kan worden afgeleid dat de administratieve voorschriften niet altijd overeenstemmen met de jurisprudentie, in het bijzonder van de gewone rechtscolleges, wanneer deze een uitspraak moeten doen in fiscale aangelegenheden.
Volgens mij is dit gebrek aan overeenstemming te wijten aan de verschillende interpretaties waartoe het begrip bestaansminimum zich leent.
Voor sommigen gaat het om het bedrag waaronder de OCMW's geen terugbetaling vorderen van de bedragen die hun verschuldigd zijn. Voor anderen gaat het om de vervangingsinkomens, meer bepaald de werkloosheidsvergoedingen, de pensioenen van de zelfstandigen, enzovoort.
Door deze onzekerheid kunnen bepaalde belastingplichtigen bij de berekening van een indiciaire heffing mogelijk anders behandeld worden al naar gelang de methode die de controleur volgt. Moet er niet eens en voorgoed een einde worden gesteld aan deze onzekerheid?
Hoe verklaart u dat tal van belastingplichtigen die van een vervangingsinkomen leven, en dan meer bepaald van werklozensteun of van een pensioen van zelfstandige, hun gezinsuitgaven dekken met een bedrag dat lager ligt dan het OCMW-bedrag waarnaar verwezen wordt in voormelde vraag nr. 816 van 26 oktober 2001?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 15.03.2005)
Voor het ramen van de gezinsuitgaven in het kader van een indiciaire taxatie, moet de administratie steunen op de bedragen die het best overeenstemmen met de waarde van de noodzakelijke uitgaven om te voorzien in de minimale voldoening van de elementaire levensbehoeften van het betrokken individuele geval.
De gezinsuitgaven vormen, ongeacht hun bedrag, een indicie van het bestaan van inkomsten door middel waarvan zij werden gedaan en kunnen dus als grondslag dienen, eventueel met andere elementen, voor de raming van de belastbare basis volgens tekenen en indiciën.
Rekening houdend met het voorgaande, vormen de bepalingen getroffen in uitvoering van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waarbij het instellen van elke vervolging lastens een onderhoudsplichtige wordt verboden, een geldige referentie. Dit is niet het geval voor de bepalingen die de vaststelling en de toekenning van vervangingsinkomsten regelen.
Vraag nr. 528 van de heer Fournaux dd. 09.11.2004
Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 70, blz. 11613-11614
Tekenen en indiciën
VRAAG
Op 26 oktober 2001 heeft de heer Claude Eerdekens u een vraag gesteld over de evaluatiemethode die gebruikt wordt bij de vaststelling van de belastbare grondslag op grond van tekenen en indiciën van de zogeheten gezinsuitgaven (vraag nr. 816, Vragen en Antwoorden, Kamer, 2002-2003, nr. 143, blz. 18109).
Uit het antwoord kan worden afgeleid dat de administratieve voorschriften niet altijd overeenstemmen met de jurisprudentie, in het bijzonder van de gewone rechtscolleges, wanneer deze een uitspraak moeten doen in fiscale aangelegenheden.
Volgens mij is dit gebrek aan overeenstemming te wijten aan de verschillende interpretaties waartoe het begrip bestaansminimum zich leent.
Voor sommigen gaat het om het bedrag waaronder de OCMW's geen terugbetaling vorderen van de bedragen die hun verschuldigd zijn. Voor anderen gaat het om de vervangingsinkomens, meer bepaald de werkloosheidsvergoedingen, de pensioenen van de zelfstandigen, enzovoort.
Door deze onzekerheid kunnen bepaalde belastingplichtigen bij de berekening van een indiciaire heffing mogelijk anders behandeld worden al naar gelang de methode die de controleur volgt. Moet er niet eens en voorgoed een einde worden gesteld aan deze onzekerheid?
Hoe verklaart u dat tal van belastingplichtigen die van een vervangingsinkomen leven, en dan meer bepaald van werklozensteun of van een pensioen van zelfstandige, hun gezinsuitgaven dekken met een bedrag dat lager ligt dan het OCMW-bedrag waarnaar verwezen wordt in voormelde vraag nr. 816 van 26 oktober 2001?
ANTWOORD (vice-eerste minister en minister van Financiën, 15.03.2005)
Voor het ramen van de gezinsuitgaven in het kader van een indiciaire taxatie, moet de administratie steunen op de bedragen die het best overeenstemmen met de waarde van de noodzakelijke uitgaven om te voorzien in de minimale voldoening van de elementaire levensbehoeften van het betrokken individuele geval.
De gezinsuitgaven vormen, ongeacht hun bedrag, een indicie van het bestaan van inkomsten door middel waarvan zij werden gedaan en kunnen dus als grondslag dienen, eventueel met andere elementen, voor de raming van de belastbare basis volgens tekenen en indiciën.
Rekening houdend met het voorgaande, vormen de bepalingen getroffen in uitvoering van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn waarbij het instellen van elke vervolging lastens een onderhoudsplichtige wordt verboden, een geldige referentie. Dit is niet het geval voor de bepalingen die de vaststelling en de toekenning van vervangingsinkomsten regelen.
Bron: FisconetPlus
