Parlementaire vraag nr. 760 van de heer Van Eetvelt van 14.02.1997
VRAAG 97/760
Vraag nr. 760 van de heer Van Eetvelt dd. 14.02.1997
Vr. en Antw., Kamer, nr. 76, 1996-1997, blz. 10308-10310
Bull. 776, pag. 2375
Gemeentebelasting - Invordering.
De wet van 23 december 1986 regelt de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen. Bij ontstentenis van specifieke bepalingen zijn evenwel het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992) en de uitvoeringsbesluiten (KB/WIB 1992) van toepassing. Ik vernam dat genoemde wet aan herziening toe is.
De toepassing van de huidige reglementeringen stelt de gemeenten voor een aantal problemen :
Bij het verlijden van een akte, vervreemding of hypothecaire aanwending van een onroerend goed, dient de notaris de ontvanger der belastingen van de woonplaats van de eigenaar en van de plaats waar het goed gelegen is te verwittigen (artikelen 433-439 WIB 1992).
a) Geldt deze notificatieplicht ook inzake lokale belastingen (melding aan de gemeenteontvanger) ?
b) Zo neen, dient dit dan niet te worden voorzien in de bovengenoemde wet van 23 december 1986 ?
Ingeval van ontbrekende, laattijdige of onvolledige aangifte kan de belasting gevestigd worden gedurende 3 jaar na 1 januari van het jaar waarvoor de belasting verschuldigd is en 5 jaar bij bedrieglijk opzet (artikel 354 WIB 1992). Kan "recht van navordering" ingeroepen worden ten aanzien van een derde, wanneer bijvoorbeeld bij sluikstorten de ingekohierde door de bestendige deputatie of de rechtbank, niet als dader wordt beschouwd maar wel deze derde ?
De gemeentewet, noch het Algemeen reglement op de gemeentelijke comptabiliteit (ARGC) vermelden de te volgen procedure bij de opmaak van onwaardenstaten. Verschillende standpunten worden hieromtrent ingenomen :
a) De onwaardenstaat dient te worden beschouwd als een "negatief" kohier : de staat dient te worden opgesteld door het college van burgemeester en schepenen en aan de goedkeuring door de provinciegouverneur te worden onderworpen.
b) De onwaardenstaat behoort tot de rekening van de ontvanger die dan ook het initiatief hiertoe neemt; de goedkeuring geschiedt door de bestendige deputatie.
Wat is uw standpunt dienaangaande ?
Dit dient te gebeuren op de wijze bepaald door het Burgerlijk Wetboek (artikel 2244 e.v.) namelijk dagvaarding, bevel tot betaling of betekening beslag. Hiervoor is de tussenkomst van een deurwaarder vereist.
Meent u niet dat, gelet op de meestal kleine bedragen ten overstaan van de directe belastingen, het aangewezen is dat deze stuiting eveneens kan gebeuren bij aangetekend schrijven ?
Vooraleer beslag op loon kan worden toegepast dient door de gerechtsdeurwaarder een dwangbevel te worden betekend. Deze redenering is zinvol wanneer het gaat om een beslag dat langs gerechtelijke weg dient te worden ingevorderd. Voor de gemeentebelastingen beschikt de gemeenteontvanger evenwel over een uitvoerbare titel.
Moet de bovengenoemde wet van 23 december 1986 niet de mogelijkheid voorzien dat bij wanbetaling van gemeentebelastingen, het beslag op loon moet gelegd kunnen worden door de gemeenteontvanger en dit bij aangetekend schrijven ?
ANTWOORD
Ik ben zo vrij in de eerste plaats te verwijzen naar het antwoord dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft verstrekt op de vraag nr. 429 van 22 oktober 1996 (Vragen en Antwoorden, Kamer van volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 70, blz. 9371), en die op identieke wijze is geformuleerd.
In verband met punt 2 van de vraag kan ik het geacht lid meedelen dat die problematiek eveneens geregeld is door de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen. In artikel 6, vierde lid, van vermelde wet is bepaald dat de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag slechts geldig kan worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het dienstjaar en dat die termijn met twee jaar wordt verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen. Het inroepen van het "recht van navordering" ten aanzien van een derde zal slechts mogelijk zijn wanneer de in artikel 6 bepaalde termijnen nog niet verstreken zijn of wanneer de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk in de belastingverordening voorzien is.
Volledigheidshalve wens ik ter aanvulling van het antwoord van mijn collega van Binnenlandse Zaken de aandacht van het geacht lid nog te vestigen op de volgende punten :
Naast de stuiting van de verjaring op de wijze bepaald in het Burgerlijk Wetboek, bepaalt artikel 145 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92) dat de verjaring ook kan worden gestuit door de betrokken belastingschuldige afstand te laten doen van de op de verjaring verlopen termijn. Gelet op artikel 12 van de wet van 24 december 1996 is dat artikel ook van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen;
Voor de invordering van provincie- en gemeentebelastingen kan ook gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigde procedure van uitvoerend beslag onder derden, waarvan de regels zijn vastgelegd in artikel 164, KB/WIB 92. Dat vereenvoudigd fiscaal derden-beslag wordt niet bij deurwaardersexploot gelegd maar bij ter post aangetekende brief die verzonden wordt door de bevoegde ontvanger. Vermits artikel 12 van vermelde wet van 24 december 1996 de artikelen 126 tot 175, KB/WIB 92 van toepassing verklaart op de provincie- en gemeentebelastingen, kan die vereenvoudigde procedure ook worden aangewend met het oog op de invordering van die belastingen en zal de ontvanger slechts in de gevallen vermeld in artikel 165, § 1, KB/WIB 92 doen overgaan tot het leggen van een uitvoerend beslag onder derden volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de tekst van artikel 10 van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen, meen ik dat het ook onder die wet reeds mogelijk was het in artikel 164, KB/WIB 92 bedoeld vereenvoudigd fiscaal derden-beslag te leggen.
Vraag nr. 760 van de heer Van Eetvelt dd. 14.02.1997
Vr. en Antw., Kamer, nr. 76, 1996-1997, blz. 10308-10310
Bull. 776, pag. 2375
Gemeentebelasting - Invordering.
De wet van 23 december 1986 regelt de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen. Bij ontstentenis van specifieke bepalingen zijn evenwel het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 1992) en de uitvoeringsbesluiten (KB/WIB 1992) van toepassing. Ik vernam dat genoemde wet aan herziening toe is.
De toepassing van de huidige reglementeringen stelt de gemeenten voor een aantal problemen :
| 1. | Notificatieplicht. |
a) Geldt deze notificatieplicht ook inzake lokale belastingen (melding aan de gemeenteontvanger) ?
b) Zo neen, dient dit dan niet te worden voorzien in de bovengenoemde wet van 23 december 1986 ?
| 2. | Recht van navordering. |
| 3. | Onwaardenstaten. |
a) De onwaardenstaat dient te worden beschouwd als een "negatief" kohier : de staat dient te worden opgesteld door het college van burgemeester en schepenen en aan de goedkeuring door de provinciegouverneur te worden onderworpen.
b) De onwaardenstaat behoort tot de rekening van de ontvanger die dan ook het initiatief hiertoe neemt; de goedkeuring geschiedt door de bestendige deputatie.
Wat is uw standpunt dienaangaande ?
| 4. | Stuiting van de verjaring. |
Meent u niet dat, gelet op de meestal kleine bedragen ten overstaan van de directe belastingen, het aangewezen is dat deze stuiting eveneens kan gebeuren bij aangetekend schrijven ?
| 5. | Beslag op loon. |
Moet de bovengenoemde wet van 23 december 1986 niet de mogelijkheid voorzien dat bij wanbetaling van gemeentebelastingen, het beslag op loon moet gelegd kunnen worden door de gemeenteontvanger en dit bij aangetekend schrijven ?
ANTWOORD
Ik ben zo vrij in de eerste plaats te verwijzen naar het antwoord dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft verstrekt op de vraag nr. 429 van 22 oktober 1996 (Vragen en Antwoorden, Kamer van volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1996-1997, nr. 70, blz. 9371), en die op identieke wijze is geformuleerd.
In verband met punt 2 van de vraag kan ik het geacht lid meedelen dat die problematiek eveneens geregeld is door de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen. In artikel 6, vierde lid, van vermelde wet is bepaald dat de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag slechts geldig kan worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het dienstjaar en dat die termijn met twee jaar wordt verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen. Het inroepen van het "recht van navordering" ten aanzien van een derde zal slechts mogelijk zijn wanneer de in artikel 6 bepaalde termijnen nog niet verstreken zijn of wanneer de mogelijkheid daartoe uitdrukkelijk in de belastingverordening voorzien is.
Volledigheidshalve wens ik ter aanvulling van het antwoord van mijn collega van Binnenlandse Zaken de aandacht van het geacht lid nog te vestigen op de volgende punten :
- Wat de stuiting van de verjaring betreft
Naast de stuiting van de verjaring op de wijze bepaald in het Burgerlijk Wetboek, bepaalt artikel 145 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92) dat de verjaring ook kan worden gestuit door de betrokken belastingschuldige afstand te laten doen van de op de verjaring verlopen termijn. Gelet op artikel 12 van de wet van 24 december 1996 is dat artikel ook van toepassing op de provincie- en gemeentebelastingen;
- Wat het beslag op loon betreft
Voor de invordering van provincie- en gemeentebelastingen kan ook gebruik worden gemaakt van de vereenvoudigde procedure van uitvoerend beslag onder derden, waarvan de regels zijn vastgelegd in artikel 164, KB/WIB 92. Dat vereenvoudigd fiscaal derden-beslag wordt niet bij deurwaardersexploot gelegd maar bij ter post aangetekende brief die verzonden wordt door de bevoegde ontvanger. Vermits artikel 12 van vermelde wet van 24 december 1996 de artikelen 126 tot 175, KB/WIB 92 van toepassing verklaart op de provincie- en gemeentebelastingen, kan die vereenvoudigde procedure ook worden aangewend met het oog op de invordering van die belastingen en zal de ontvanger slechts in de gevallen vermeld in artikel 165, § 1, KB/WIB 92 doen overgaan tot het leggen van een uitvoerend beslag onder derden volgens de regels van het Gerechtelijk Wetboek. Gelet op de tekst van artikel 10 van de wet van 23 december 1986 betreffende de invordering en de geschillen terzake van provinciale en plaatselijke heffingen, meen ik dat het ook onder die wet reeds mogelijk was het in artikel 164, KB/WIB 92 bedoeld vereenvoudigd fiscaal derden-beslag te leggen.
Bron: FisconetPlus
