Parlementaire vraag nr. 29 van mevrouw Francesca Van Belleghem van 24.02.2025

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2024-2025, QRVA 56/009 d.d. 01.04.2025, blz. 200


De toepassing van een minimale belastbare grondslag in geval een belastingverhoging van 10 % of meer

VRAAG (van mevrouw Van Belleghem)

De toepassing van een minimale belastbare grondslag in geval een belastingverhoging van 10 % of meer effectief wordt toegepast na een rechtzetting middels bijv. een bericht van wijziging heeft al heel wat stof doen opwaaien. Verschillende legaliteitsbezwaren werden reeds geuit over het door artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92 (oud artikel 207, 7e lid WIB 92) ingevoerde stelsel, waaromtrent het Grondwettelijk Hof nog (deels) uitspraak dient te doen. Ondertussen stellen wij in de praktijk vast dat de fiscale administratie artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92 toe lijkt toe te passen in dossiers waarvoor deze bepaling nooit voorzien werd. De misschien wel meest bevreemdende toepassing betreft deze waarbij een rechtzetting geen wijziging van het belastbaar resultaat, van de (overgedragen) verliezen, van de overgedragen DBI-aftrek, of van om het even welk ander element dat bijdraagt tot de belastbare grondslag tot gevolg heeft, maar waarbij er louter sprake is van een wijziging van de code waaronder een inkomen had moeten worden aangegeven. Wij viseren hierbij de situatie waarbij een buitenlands verlies in toepassing van de artikelen 185, § 3, 1e lid en 206/3, § 2 WIB 92 opgenomen wordt onder code 1419 van de aangifte, derwijze dat het buiten beschouwing wordt gelaten voor de bepaling van de Belgische vennootschapsbelasting en er uitvoering wordt gegeven aan de onmogelijkheid om buitenlandse verliezen (bijv. verbonden aan een buitenlands onroerend goed dat aangehouden wordt door een Belgische vennootschap) van het belastbaar tijdperk te verrekenen met de Belgische vennootschapsbelasting die drukt op het in België gerealiseerde resultaat. De fiscale administratie blijkt deze situatie evenwel vanuit een wel erg originele invalshoek te bekijken. Zelfs indien de belastingplichtige de voormelde bepalingen naleeft, zodat de buitenlandse verliezen buiten beschouwing worden gelaten voor wat betreft de Belgische vennootschapsbelasting, acht de fiscale administratie het mogelijk om het bedrag van de buitenlandse verliezen aan de verworpen uitgaven te gaan toevoegen, bijv. omdat niet voldaan is aan de aftrekbaarheidsvoorwaarden van artikel 49 WIB 92. De rechtzetting van de aangifte die daarop volgt betreft louter een verplaatsing van code 1419 naar code 1239 ("andere verworpen uitgaven") en beïnvloedt zoals reeds gesteld de belastbare grondslag niet, of om het even welk ander element dat hiertoe bijdraagt of hiervan in mindering komt of kan komen. Toch beschouwt de fiscale administratie deze wijziging als een wijziging van het resultaat waarop én een belastingverhoging van 10 % toegepast kan worden én dat terzelfdertijd geldt als minimale belastbare grondslag in toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92. De achterliggende redenering hierbij is dat de fiscale neutralisering van het buitenlands verlies (artikel 206/3, § 2 WIB 92) nu eenmaal plaatsvindt na de toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92 en na de vaststelling van de verworpen uitgaven in toepassing van artikel 206/1 WIB 92. Bij deze werkwijze rijzen verschillende vragen die een dringend antwoord behoeven, gelet op de verregaande consequenties van deze toepassing van het al controversiële artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92: 1. Hoe kan het dat een belastingverhoging opgelegd wordt indien een wijziging van de aangifte tot geen enkel supplementair inkomstenbestanddeel leidt, maar louter betrekking heeft op een verschil in zienswijze aangaande de code waaronder het buitenlands verlies bij het in België belastbare inkomen dient te worden geteld, verschil in zienswijze dat zoals gezegd geen enkel ander element van de aangifte beïnvloedt en geen enkel nadeel berokkent aan de schatkist of geen enkel voordeel bezorgt aan de belastingplichtige? 2. Hoe rijmt u de toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92 op deze situatie met de doelstellingen van deze bepaling, zoals recent in herinnering gebracht door het Grondwettelijk Hof in het arrest van 21 november 2024? Pro memorie: die doelstelling bestaat erin om geen fiscale aftrekken (met uitzondering van de DBI-aftrek van het jaar zelf) toe te staan op de verhogingen van de belastbare grondslag die worden vastgesteld na een belastingcontrole. Hier is er evenwel geen verhoging van de belastbare grondslag. Deze is identiek voor en na de rechtzetting. 3. Hoe rijmt u deze toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92 met het gelijkheidsbeginsel? Immers zal iemand die al dan niet te goeder trouw een buitenlands beroepsverlies dat wel aftrekbaar zou zijn in toepassing van artikel 49 WIB 92 niet aangeeft onder code 1419 niet geconfronteerd kunnen worden met de toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92, terwijl iemand die het buitenlands beroepsverlies wel aangeeft in code 1419, maar waarvan de fiscale administratie meent dat dit beroepsverlies niet beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92, net wel geconfronteerd worden met de toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92. Nochtans leidt de schatkist in de eerste situatie wel een nadeel, en zal er sprake zijn van een te laag aangegeven resultaat van het belastbaar tijdperk, terwijl deze elementen zich niet voordoen in de tweede situatie. 4. Hoe valt deze situatie wetstechnisch te verklaren in het licht van de artikelen 185, § 3, 1e lid WIB 92 en 206/3, § 2 WIB 92? In het licht van de bewoordingen van deze bepalingen dient het buitenlandse beroepsverlies immers hoe dan ook aan het Belgisch resultaat te worden toegevoegd na de toepassing van artikel 206/3, § 1, 2e lid WIB 92, en dus ongeacht of dit buitenlands beroepsverlies al aan de verworpen uitgaven werd toegevoegd. Indien men de wet zou toepassen, zou de administratieve praktijk dus leiden tot een dubbele belasting. Erkent u dat dit erop wijst dat de administratieve praktijk zelf onwettig is?

ANTWOORD (van de Vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding en de Nationale Loterij)

Het vermelden van inkomsten door de belastingplichtige in een verkeerde code maakt de aangifte onvolledig of onjuist. Volgens artikel 444 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) kan een belastingverhoging toegepast worden bij niet-aangifte, bij laattijdige aangifte of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte. Voor het overige, is het moeilijk om een eenduidig antwoord te verstrekken zonder in het bezit te zijn van alle noodzakelijke beoordelingselementen. Er wordt op gewezen dat in de komende programmawet, in uitvoering van het federaal regeerakkoord, er een wijziging voorzien is aan artikel 444 WIB 92 waarbij er geen belastingverhoging wordt toegepast een eerste te goeder trouw begane overtreding. Goede trouw wordt, behoudens bewijs van het tegendeel, vermoed te bestaan bij de belastingplichtige die een eerste overtreding heeft begaan, behalve in geval van toepassing van artikel 351 WIB 92. Op het algemene vlak kan ik evenwel meedelen dat het aftrekverbod zoals bedoeld in artikel 206/3, § 1, tweede lid, WIB 92, inhoudt dat op bepaalde bestanddelen van het resultaat van het belastbare tijdperk geen aftrekken in de zin van artikel 207, WIB 92, mogen worden verricht. Daarom zullen die bestanddelen altijd deel uitmaken van de belastbare grondslag zodat ze een minimum belastbare grondslag vormen. Dat aftrekverbod heeft enkel betrekking op fiscale aftrekken die kunnen worden gedaan van de winst van Belgische inrichtingen en van de winst van buitenlandse inrichtingen die niet op basis van een dubbelbelastingverdrag is vrijgesteld. Van de winst van inrichtingen uit landen met een dubbelbelastingverdrag waarin wordt voorzien dat de winst in België wordt vrijgesteld, kunnen de bedoelde aftrekken niet worden gedaan.