Parlementaire vraag nr. 1262 van de heer de Clippele van 25.10.1994

VRAAG 94/1262

Vraag nr. 1262 van de heer de Clippele dd. 25.10.1994

Bull. nr. 747, pag. 913

Vrijgestelde inkomsten - Meerwaarden - Inbreng van een algemeenheid van goederen - Wederbelegging

Artikel 262.2° van de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen wijzigde het tweede lid van het vroegere artikel 40 (artikel 46 WIB 1992) door invoeging van een soortgelijke bepaling als die van artikel 124 WIB die de fiscale doorzichtigheid van de voortzettingen of inbrengen van werkzaamheid op het stuk van de voorzieningen, vrijgestelde waardeverminderingen ... en de overdracht van belastingheffing (stuk Senaat, 89-90, nr. 806/1, blz. 60) waarborgt. Aangezien verwezenlijkte vrijgestelde meerwaarden niet kunnen worden overgedragen, kan men zich afvragen of bij artikel 262.2° van de wet van 22 december 1989, door op het stuk van de inbreng van een algemeenheid van goederen bepalingen van artikel 212, 2de lid, WIB 92, over te nemen, niet uit het oog is verloren dat bij de inbreng van en algemeenheid van goederen de inbrenger blijft bestaan.

In zijn circulaire Ci.D.16-416.334 van 18 mei 1992 regelde het bestuur de situatie waarin luidens artikel 47 WIB 92 verplichte wederbelegging op het ogenblik van de inbreng van een algemeenheid van goederen niet had plaatsgevonden (punt II/205 tot 208). Daaruit vloeien twee belangrijke punten voort, namelijk dat de vrijgestelde meerwaarden bij dergelijke inbreng (artikel 47 WIB 92) zich slechts in de maatschappelijke activa van de overdragende vennootschap mogen bevinden, en dat bij de herbelegging door de vennootschap die de inbreng verkrijgt, het totale bedrag van de meerwaarde gespreid moet worden belast ten name van de overdragende vennootschap naarmate de door herbelegging verkregen goederen door de vennootschap die de inbreng verkrijgt, worden afgeschreven.

Blijft nog de situatie waarin de goederen die door herbelegging moeten worden verkregen, door de vennootschap die de inbreng doet vóór de inbreng werden verkregen. In een circulaire regelde het bestuur de situatie waarin de wederbelegging nog niet is gebeurd op het ogenblik van de inbreng door de inbrengende vennootschap. Ik meen dat de aldus gevonden oplossing ook toepasbaar is op de situatie waarin de wederbelegging vóór de inbreng door de inbrengende vennootschap gebeurde. Het gevolg is dat het totale bedrag van de winst, die in de maatschappelijke activa van de overdragende vennootschap blijft, wordt belast naarmate van de afschrijvingen die door de vennootschap die de inbreng verkrijgt, op de door de inbrengende vennootschap verkregen en naar de verkrijgende vennootschap overgedragen activa worden geboekt.

Deelt u dit standpunt ?

ANTWOORD

Ik deel de zienswijze van het geacht lid.