Parlementaire vraag nr. 1127 van de heer Viseur van 20.11.1997

VRAAG 97/1127
Bull. nr. 783, pag. 1295
Vr. en Antw., Kamer, nr. 119, 1997-1998, blz. 16418-16419
VSO-giften.
VRAAG
De heffingsgrondslag van een rechtspersoon die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, bevat onder meer de "giften" aan derde instellingen op voorwaarde dat die laatste niet verplicht zijn een attest over te leggen dat recht geeft op de vrijstelling bepaald in de artikelen 104, 3° tot 5°, 107 en 200 van het WIB 1992. Die giften worden als "niet-aanvaarde uitgaven" bij het belastbaar inkomen van de vennootschap die de gift doet, gevoegd.
Voormeld beginsel schijnt "ne varietur" toepasbaar te zijn wanneer een vennootschap met sociaal oogmerk die aan de vennootschapsbelasting is onderworpen, een dergelijke gift doet aan een derde instelling die niet krachtens artikel 110 van het WIB 1992 is erkend. Dat zou een normaal gevolg van de onderwerping aan de vennootschapsbelasting zijn.
Naast de vele fiscale handicaps die momenteel de oprichting van vennootschappen met sociaal oogmerk en de omvorming van verenigingen zonder winstoogmerk tot vennootschappen met sociaal oogmerk in de weg staan, botst genoemd beginsel, gelet op zijn onbuigzaamheid, met de verwezenlijking van de sociale doelstellingen van een vennootschap met sociaal oogmerk waarvan de statuten zouden voorzien in het toekennen van financiële steun aan instellingen zonder winstgevend doel die, luidens de artikelen 181 en 182 van het WIB 1992, aanspraak kunnen maken op de regeling van de rechtspersonenbelasting.
Wanneer een vennootschap met sociaal oogmerk een winstgevende bedrijvigheid of verrichtingen heeft die onder haar sociaal doel vallen en tot de realisatie van haar activiteiten met sociaal oogmerk bijdragen, kan de vennootschap met sociaal oogmerk niet zelf op het stelsel van de rechtspersonenbelasting aanspraak maken. Het stelsel van de vennootschapsbelasting is derhalve van toepassing op al haar belastbare inkomsten, zelfs als die uitsluitend voor de financiering van haar activiteiten met sociaal oogmerk dienen.
1. Kan worden gesteld dat een vennootschap met sociaal oogmerk waarvan de statutaire verbintenissen en de effectieve activiteit gericht zijn op het verlenen van financiële steun aan instellingen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, "beroepskosten" maakt die aftrekbaar zijn van haar belastbaar inkomen in de zin van artikel 49 van het WIB 1992 wanneer zij hen een dergelijke financiële steun toekent?
2. Of moet financiële steun toegekend aan instellingen die niet zijn erkend luidens artikel 110 van het WIB 1992, worden beschouwd als een "gift" en als dusdanig opgenomen worden in de heffingsgrondslag van de vennootschap met sociaal oogmerk die de gift doet?
ANTWOORD
Luidens de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 53, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) is iedere uitgave die niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid niet aftrekbaar als beroepskost. Die bepaling die ook op de aan de vennootschapsbelasting onderworpen belastingplichtigen van toepassing is vormt de wettelijke grondslag voor de belastbaarheid van liberaliteiten die dergelijke belastingplichtigen aan identificeerbare derden verlenen.
Evenwel mogen de in artikel 104, 3° tot 5°, a), WIB 92, bedoelde giften, overeenkomstig de artikelen 183 en 199, WIB 92, van de belastbare winst worden afgetrokken binnen de grenzen bepaald in artikel 200, WIB 92.
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de door het geacht lid bedoelde financiële hulp slechts aftrekbaar is van de behaalde winst voor zover deze is gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden of voor zover deze als "vrijgestelde gift" in de zin van de voormelde wettelijke bepalingen kan worden aangemerkt.
Bovendien wens ik te verduidelijken dat voor elke vennootschap, vereniging, inrichting of instelling met rechtspersoonlijkheid, die een vennootschap met een sociaal oogmerk of een vereniging zonder winstoogmerk kan zijn, dezelfde criteria gelden om te bepalen of zij aan de vennootschapsbelasting dan wel aan de rechtspersonenbelasting dienen te worden onderworpen. De belastbaarheid van de liberaliteiten vormt derhalve geen belemmering voor de omzetting van een vzw in een vennootschap met een sociaal oogmerk noch voor de oprichting van een dergelijke vennootschap.