Parlementaire vraag nr. 645 van de heer Willem-Frederik Schiltz van 07.11.2013

Parlementaire vraag nr. 645 van de heer Willem-Frederik Schiltz dd. 07.11.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/158 dd. 25.04.2014, blz.79

Inkomstenbelastingen. - Artikel 219ter. - Afzonderlijke heffing

VRAAG (van de heer Schiltz)

Het recent ingevoerde artikel 219ter Wetboek inkomstenbelastingen (WIB 1992) voorziet in een afzonderlijke heffing van 5% (de zogenaamde "fairness tax"). Deze afzonderlijke heffing is van toepassing indien een vennootschap dividenden uitkeert die niet effectief belast worden in de vennootschapsbelasting wegens de toepassing van de aftrek voor risicokapitaal van het boekjaar zelf of de aftrek van overgedragen verliezen. Artikel 219ter, § 2, WIB 1992 stelt dat de grondslag van deze afzonderlijke aanslag wordt gevormd door het positieve verschil tussen enerzijds de voor het belastbare tijdperk bruto uitgekeerde dividenden, en anderzijds het uiteindelijk fiscaal resultaat dat daadwerkelijk onderworpen wordt aan het tarief van de vennootschapsbelasting zoals bedoeld in de artikelen 215 en 216, WIB 1992. Indien een vennootschap meerwaarden verwezenlijkt op kwalificerende aandelen die minder dan 1 jaar in eigendom werden aangehouden, wordt deze meerwaarde opgenomen in het belastbaar resultaat en kan de grondslag verminderd worden met onder meer de aftrek voor risicokapitaal van het boekjaar zelf of dankzij de aanwending van overgedragen fiscale verliezen. De resterende belastbare basis van een dergelijke meerwaarde wordt afzonderlijk belast tegen 25% op basis van artikel 217, eerste lid, 2° WIB 1992. Desondanks lijkt het onmogelijk om de belastbare basis, onderworpen aan een heffing van 25% op basis van artikel 217, eerste lid, 2°, WIB 1992, in mindering te brengen van de grondslag van de afzonderlijke aanslag zoals vermeld in artikel 219ter, § 2, WIB 1992. Dit lijkt tegen het gelijkheidsbeginsel in te gaan, vermits het enige verschil tussen de belastbare resultaten onderworpen aan de tarieven als vermeld in de artikelen 215 en 216, WIB 1992 en het belastbare resultaat onderworpen aan het tarief als vermeld inartikel 217, eerste lid, 2°, WIB 1992 bestaat in het percentage van de belasting.

1. Kan de belastbare basis, onderworpen aan een heffing van 25% op basis van artikel 217, eerste lid, 2°, WIB 1992, in mindering gebracht worden van de grondslag van de afzonderlijke aanslag zoals vermeld in artikel 219ter, § 2, WIB 1992?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag ontkennend is, wat zijn de motieven om de belastbare basis, onderworpen aan een heffing van 25% op basis van artikel 217, 1e lid, 2°, WIB 1992 niet in mindering te brengen van de grondslag van de afzonderlijke aanslag zoals vermeld in artikel 219ter, § 2, WIB 1992?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën).

Artikel 219ter, § 2, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) voorziet er uitdrukkelijk in dat de grondslag van de fairness taks wordt gevormd door het positieve verschil tussen enerzijds de voor het belastbare tijdperk uitgekeerde dividenden, en anderzijds het fiscaal resultaat dat wordt onderworpen aan het tarief van de vennootschapsbelasting zoals bedoeld in de artikelen 215 en 216 WIB 92. De taxatie tegen het tarief van 25 % waarvan het geachte lid melding maakt, komt niet voor in de artikelen 215 en 216 WIB 92, maar wel in art. 217 WIB 92. Het fiscaal resultaat dat aldus tegen 25 % wordt belast, kan derhalve niet in mindering worden gebracht van de voormelde uitgekeerde dividenden. Anderzijds is het zo, dat de grondslag van de fairness taks op het einde van de berekening ervan verhoudingsgewijs beperkt wordt met toepassing van een breuk waarvan de teller de voor het belastbare tijdperk werkelijk toegepaste aftrek van overgedragen verliezen en de voor hetzelfde belastbare tijdperk werkelijk toegepaste aftrek voor risicokapitaal omvat, en de noemer, het fiscaal resultaat van het belastbaar tijdperk exclusief de vrijgestelde waardeverminderingen, voorzieningen en meerwaarden. De tegen 25 % belaste meerwaarden op aandelen zitten dus mee in de noemer van deze breuk. Daaruit volgt, dat zij dus bijdragen tot een verhoudingsgewijze beperking van de grondslag van de fairness-taks. Ik verwijs in dit verband naar de circulaire van 3 april 2014 die de administratie inmiddels aan de fairness taks heeft gewijd en die geraadpleegd kan worden op Fisconetplus