Parlementaire vraag nr. 368 van de heer Ramoudt van 18.01.1993

VRAAG 93/368

Vraag nr. 368 van de heer Ramoudt dd. 18.01.1993


Bull. nr. 727, pag. 1344

WIB.- Bewijsmiddelen. - Wijziging van de aangifte.

Artikel 339 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (oud artikel 245) bepaalt dat de aangifte wordt onderzocht en de aanslag wordt gevestigd door de Administratie van de directe belastingen, die als belastinggrondslag de aangegeven inkomsten en andere gegevens neemt, tenzij zij die onjuist bevindt. Een regelmatig opgestelde en ingediende aangifte is dus geloofwaardig tot het tegenbewijs (administratieve commentaar nrs. 212/38 en 245/2) wordt geleverd. Artikel 346 van het WIB 1992 (oud artikel 251) bepaalt dat, wanneer de controleur van de belastingen de door de belastingplichtige aangegeven inkomsten meent te moeten wijzigen, hij die belastingplichtige door middel van een aangetekende brief in kennis moet stellen van de overwogen wijzigingen. De belastingplichtige beschikt over een termijn van één maand om schriftelijk zijn opmerkingen te maken.

Volgens de rechtspraak is een bericht van wijziging niets anders dan het uitgangspunt van tussen de administratie en de belastingplichtige ingezette onderhandelingen met het oog op de latere vaststelling van het belastbaar inkomen (administratieve commentaar nr. 251/32). Naar men mij meedeelt, komt het echter steeds vaker voor dat de administratie niet reageert, de dialoog met de belastingplichtige (begonnen met het bericht van wijziging) niet voortzet en gewoon de aangekondigde aanslag inkohiert. Zo wordt mij het geval gesignaleerd van een KMO die begin 1991 haar bedrijfsgebouwen, met inbegrip van de volledige inboedel en de boekhouding van de jaren 1990 en vorige jaren, volledig zag vernietigen door een brand. De controleur die, evenals het bedrijf, over geen enkel boekhoudkundig stuk beschikt, verviervoudigt de voor het jaar 1989 aangegeven belastbare inkomsten. Elke dialoog met de betrokken controleur blijkt onmogelijk, en de te verwachten fiscale aanslag dreigt ernstige gevolgen te hebben voor de betrokken onderneming.

1. Mag en kan een controleur, bij gebrek aan boekhoudkundige bewijsstukken veroorzaakt door overmacht en zich steunend op persoonlijke veronderstellingen en deducties, een aanslag opmaken ?



2.Is de handelswijze van de controleur gepast en wettelijk ?
3. Is het verantwoord overdreven aanslagen te vestigen, vooral in gevallen waar de belastingplichtige, door een geval van overmacht, niet meer beschikt over de boekhoudkundige gegevens die hem in staat zouden stellen zijn rechten te verdedigen ?

4. Is het optreden van de controleur geen regelrechte aanval op de rechtszekerheid van de belastingplichtige en een flagrante schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ?

5. Is dat geen bron van overbodige fiscale geschillen die de al moeilijke en zware taak van de fiscale administratie nodeloos verzwaren en bemoeilijken ?

6. Wordt door dergelijke toestanden de tegenstand van de burger tegen belastingen niet aangewakkerd ?

7. Welke maatregelen neemt u om aan het willekeurig optreden van een belastingambtenaar een einde te maken ?

ANTWOORD

1 en 2. De Administratie der directe belastingen beschikt om haar opdracht uit te voeren over de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de artikelen 339 tot 345 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.

Dit gezegd zijnde, wanneer de administratie meent de aangifte te moeten wijzigen, dient zij de redenen aan te geven die naar haar oordeel de wijziging rechtvaardigen.

Zoals het geacht lid terecht doet opmerken heeft het bericht van wijziging geen ander doel dan de belastingplichtige nopens de voorgenomen wijziging in te lichten, opdat hij in de gelegenheid wordt gesteld ze te aanvaarden of ze te betwisten. In die context, en alhoewel geen enkele wetsbepaling de aanslagambtenaar verplicht de opmerkingen te beantwoorden die de belastingplichtige in antwoord op het bericht van wijziging heeft geformuleerd, is hem voorgeschreven zoveel mogelijk de belastingplichtige in de vorm van een gewone brief kennis te geven van de mate waarin met de gemaakte opmerkingen rekening wordt gehouden en, in ieder geval, telkens wanneer belangrijke meningsverschillen blijven bestaan.

3 tot 7. Het geachte lid beoogt duidelijk een concreet geval; het is dan ook niet mogelijk een standpunt in te nemen zonder voorafgaan onderzoek van de feitelijke en juridische gegevens eigen aan het geval.

Indien mij de volledige identificatiegegevens van de bedoelde KMO worden meegedeeld zal ik een onderzoek doen instellen.