Parlementaire vraag nr. 4903 van de heer Georges Gilkinet van 25.05.2011
Mondelinge parlementaire vraag nr. 4903 van de heer Georges Gilkinet dd. 25.05.2011
Beknopt verslag 53, Commissie voor de Financiën en de Begroting 241 van 25.05.2011, blz. 11
Vennootschapsbelasting
Aftrek voor octrooi-inkomsten
Investeringsaftrek
VRAAG (van de heer Gilkinet)
Sinds het aanslagjaar 2008 kunnen Belgische vennootschappen en Belgische vestigingen van buitenlandse vennootschappen, krachtens de artikelen 205/1 en 205/4 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, 80 procent van hun hypothetische of reële octrooi-inkomsten aftrekken van hun belastbare grondslag dankzij de aftrek voor octrooi-inkomsten.
Hoeveel vennootschappen hebben hun octrooi-inkomsten afgetrokken sinds de invoering van die regeling?
Hoeveel procent daarvan is een kmo in de zin van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen?
Hoeveel bedraagt de totale octrooiaftrek per aanslagjaar?
Hoe beoordeelt u die regeling?
Welke impact heeft die octrooiaftrek gehad op de werkgelegenheid en de investeringen?
ANTWOORD(van de heer Clerfayt,Staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiën, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, toegevoegd aan de Minister van Financiën)
Voor het aanslagjaar 2010 beschik ik vooralsnog over voorlopige cijfers, die betrekking hebben op ongeveer 90 procent van de ingekohierde dossiers. De gegevens van de voorgaande aanslagjaren zijn ook nog niet definitief, omdat die bedragen nog kunnen worden herzien.
Voor 2008, 2009 en 2010 gaat het respectievelijk om 68, 75 en 91 vennootschappen met een totaalbedrag voor de aftrek voor octrooi-inkomsten van respectievelijk 26.536.000, 109.750.000 en 605.678.000 euro.
Naarmate die maatregel steeds meer bekendheid krijgt, maken alsmaar meer bedrijven er gebruik van en neemt ook het afgetrokken bedrag steeds verder toe.
De administratie bezit geen rangschikking van de kleine vennootschappen in de zin van artikel 15 van het Wetboek van vennootschappen, maar schat dat ongeveer twee derde van de bedrijven kleine vennootschappen zijn.
De precieze impact van de invoering van die aftrekmogelijkheid op de investeringen en de werkgelegenheid kan onmogelijk worden ingeschat. Het is immers de economische context in zijn geheel die bepaalt hoe een bedrijf zich ontwikkelt.
Andere fiscale stimuli, zoals de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing met betrekking tot het wetenschappelijk onderzoek, het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling, en de vrijstelling van de premies en de kapitaal- en interestsubsidies hebben een veel grotere impact op de werkgelegenheid.
CONCLUSIE (van de heer Gilkinet)
Ik zal de tabellen die u me hebt overhandigd met aandacht bestuderen. In de huidige budgettaire context dient de maatregel zorgvuldiger te worden geëvalueerd, aangezien het gaat om een minder gerichte bepaling dan andere die u hebt vermeld.
