Parlementaire vraag nr. 169 van mevrouw Herzet van 24.11.1995
VRAAG 95/169
Vraag nr. 169 van mevrouw Herzet dd. 24.11.1995
Bull. nr. 760, pag. 923
Beroepskosten - Gemeentemandatarissen - Voordelen in natura
De beroepskosten voor de burgemeesters, schepenen en OCMW- voorzitters worden elk jaar forfaitair vastgesteld bij een circulaire van de Administratie der Directe belastingen.
1. Wanneer een mandataris bepaalde aan zijn functie verbonden voordelen in natura (auto, vergoeding voor benzine, representatietoelage, enz.) geniet, moeten die voordelen dan worden aangegeven en in mindering gebracht op het wettelijk forfait ?
2. Zo ja, wat gebeurt er wanneer het totaalbedrag van de voordelen groter is dan het forfait ?
3. Moeten kosten gedaan in het kader van het mandaat en die door het gemeentebestuur worden vergoed, van het wettelijke forfait worden afgetrokken ?
ANTWOORD
Ik wil vooreerst de aandacht van het geacht lid vestigen op het feit dat het bijzonder kostenforfait voor burgemeesters, schepenen en voorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verschilt van het in artikel 51 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bepaalde wettelijk forfait. Met de gebruikte uitdrukking "wettelijk forfait" wordt duidelijk het bijzonder forfait beoogd. Het is evenwel niet uitgesloten dat, in sommige gevallen, een van de betrokkenen er belang bij heeft om het wettelijk forfait boven het bijzonder forfait te verkiezen.
Dit gezegd zijnde, vindt het geacht lid hierna de antwoorden op zijn vragen.
1. Met betrekking tot de in deze vraag bedoelde "voordelen van alle aard", die zouden voortvloeien uit de tenlasteneming van bepaalde kosten door de werkgever (in casu de gemeente), moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om kosten die ten laste van deze laatste vallen (bijvoorbeeld, de verplaatsingen om de burgemeester in staat te stellen in die hoedanigheid een plechtigheid bij te wonen waarop zijn aanwezigheid vereist is) of, daarentegen, om kosten die normaal ten laste van de verkrijger vallen (bijvoorbeeld, de zuivere privé-verplaatsingen - daarin begrepen de verplaatsingen om deel te nemen aan bals, enz. - of het traject tussen de woonplaats en het gemeentehuis).
Alleen de tenlasteneming van kosten van deze tweede categorie leiden tot een als bezoldiging belastbaar voordeel.
In de mate dat dergelijke kosten de aard hebben van verantwoorde aftrekbare beroepskosten kan het ermede overeenstemmende belastbaar voordeel als werkelijke beroepskosten worden afgetrokken op voorwaarde dat het in artikel 49 van het voormelde wetboek bedoelde bewijs is geleverd en met inachtneming van de eventueel ter zake geldende wettelijke beperkingen (bijvoorbeeld de terugbetaalde kosten voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis) welke enerzijds belastbaar zijn als voordeel van alle aard en anderzijds aftrekbaar zijn ten belope van 6 frank/km). Indien de betrokkene voor het forfait (wettelijk of bijzonder) kiest, worden die kosten vanzelfsprekend geacht in dit forfait begrepen te zijn.
Uit het voorgaande volgt dat wanneer een gemeente de persoonlijke kosten van de burgemeester, een schepen of de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten laste neemt, de belastbare grondslag ten name van de verkrijger in dezelfde mate wordt verhoogd en bijgevolg de berekeningsgrondslag vormt van het wettelijke forfait van de beroepskosten.
2. Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, is het forfait (wettelijk of bijzonder) een keuze, in die zin dat de belastingplichtige altijd de mogelijkheid heeft om een hoger bedrag aan werkelijke en bewezen beroepskosten af te trekken.
3. Wanneer het gemeentebestuur de burgemeester, de schepen of de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor bepaalde kosten vergoedt die hij daadwerkelijk in het kader van zijn mandaat heeft gedaan, betekent dit hetzelfde als een tenlasteneming van die kosten. In dat geval moeten eveneens de in het antwoord op de eerste vraag uiteengezette regels worden toegepast.
Vraag nr. 169 van mevrouw Herzet dd. 24.11.1995
Bull. nr. 760, pag. 923
Beroepskosten - Gemeentemandatarissen - Voordelen in natura
De beroepskosten voor de burgemeesters, schepenen en OCMW- voorzitters worden elk jaar forfaitair vastgesteld bij een circulaire van de Administratie der Directe belastingen.
1. Wanneer een mandataris bepaalde aan zijn functie verbonden voordelen in natura (auto, vergoeding voor benzine, representatietoelage, enz.) geniet, moeten die voordelen dan worden aangegeven en in mindering gebracht op het wettelijk forfait ?
2. Zo ja, wat gebeurt er wanneer het totaalbedrag van de voordelen groter is dan het forfait ?
3. Moeten kosten gedaan in het kader van het mandaat en die door het gemeentebestuur worden vergoed, van het wettelijke forfait worden afgetrokken ?
ANTWOORD
Ik wil vooreerst de aandacht van het geacht lid vestigen op het feit dat het bijzonder kostenforfait voor burgemeesters, schepenen en voorzitters van openbare centra voor maatschappelijk welzijn, verschilt van het in artikel 51 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bepaalde wettelijk forfait. Met de gebruikte uitdrukking "wettelijk forfait" wordt duidelijk het bijzonder forfait beoogd. Het is evenwel niet uitgesloten dat, in sommige gevallen, een van de betrokkenen er belang bij heeft om het wettelijk forfait boven het bijzonder forfait te verkiezen.
Dit gezegd zijnde, vindt het geacht lid hierna de antwoorden op zijn vragen.
1. Met betrekking tot de in deze vraag bedoelde "voordelen van alle aard", die zouden voortvloeien uit de tenlasteneming van bepaalde kosten door de werkgever (in casu de gemeente), moet een onderscheid worden gemaakt naargelang het gaat om kosten die ten laste van deze laatste vallen (bijvoorbeeld, de verplaatsingen om de burgemeester in staat te stellen in die hoedanigheid een plechtigheid bij te wonen waarop zijn aanwezigheid vereist is) of, daarentegen, om kosten die normaal ten laste van de verkrijger vallen (bijvoorbeeld, de zuivere privé-verplaatsingen - daarin begrepen de verplaatsingen om deel te nemen aan bals, enz. - of het traject tussen de woonplaats en het gemeentehuis).
Alleen de tenlasteneming van kosten van deze tweede categorie leiden tot een als bezoldiging belastbaar voordeel.
In de mate dat dergelijke kosten de aard hebben van verantwoorde aftrekbare beroepskosten kan het ermede overeenstemmende belastbaar voordeel als werkelijke beroepskosten worden afgetrokken op voorwaarde dat het in artikel 49 van het voormelde wetboek bedoelde bewijs is geleverd en met inachtneming van de eventueel ter zake geldende wettelijke beperkingen (bijvoorbeeld de terugbetaalde kosten voor de verplaatsingen tussen de woonplaats en het gemeentehuis) welke enerzijds belastbaar zijn als voordeel van alle aard en anderzijds aftrekbaar zijn ten belope van 6 frank/km). Indien de betrokkene voor het forfait (wettelijk of bijzonder) kiest, worden die kosten vanzelfsprekend geacht in dit forfait begrepen te zijn.
Uit het voorgaande volgt dat wanneer een gemeente de persoonlijke kosten van de burgemeester, een schepen of de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn ten laste neemt, de belastbare grondslag ten name van de verkrijger in dezelfde mate wordt verhoogd en bijgevolg de berekeningsgrondslag vormt van het wettelijke forfait van de beroepskosten.
2. Zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, is het forfait (wettelijk of bijzonder) een keuze, in die zin dat de belastingplichtige altijd de mogelijkheid heeft om een hoger bedrag aan werkelijke en bewezen beroepskosten af te trekken.
3. Wanneer het gemeentebestuur de burgemeester, de schepen of de voorzitter van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn voor bepaalde kosten vergoedt die hij daadwerkelijk in het kader van zijn mandaat heeft gedaan, betekent dit hetzelfde als een tenlasteneming van die kosten. In dat geval moeten eveneens de in het antwoord op de eerste vraag uiteengezette regels worden toegepast.
Bron: FisconetPlus
