Parlementaire vraag nr. 926 van de heer Knoops van 22.02.1994

VRAAG 94/926
Bull. nr. 748, pag. 1063
Inkomstenbelastingen - Onderzoek en controle - Misbruik
De fiscale rubriek van het maandblad "Le Marché, speciale editie van februari 1994, is u zeker niet ontgaan; ze was namelijk voor een groot deel gewijd aan een televisieuitzending waaraan u hebt deelgenomen. Ik wil vooral stilstaan bij het einde van bedoelde rubriek :
"Een derde buitengewoon verhaal gaat over de controle die in de dagen voor Kerstmis door een jong verificateur werd uitgevoerd. Een "grondige" controle die in het controlebureau zelf gebeurde en waarbij alle boekhoudkundige stukken, bank-, financiële en andere uittreksels moesten worden meegebracht. Een redelijk zware koffer dus, die naar een plaats waar op 500 m in de omtrek geen parkeerplaats is, moest worden meegezeuld. Maar dit is nog maar een begin. De betrokken onderneming is namelijk een kleinhandelszaak met één uitbaatster ouder dan 65. De zaak heeft een heel bescheiden netto-opbrengst en wordt bovendien forfaitair belast volgens criteria bepaald door de belastingadministratie en de bevoegde beroepsorganisatie. Het frauderisico is dus per definitie eerder beperkt. Waarom moest de wet worden overtreden door de gecontroleerde te verplichten de bewijsstukken te verplaatsen ? De verificateur had ter plaatse moeten komen om de elementen te controleren die hem eventueel verdacht lijken ...".
1. Waarom schendt een belastingdienst de wet door de gecontroleerde te verplichten de bewijsstukken te verplaatsen ?
2. Is dat soort eis van de fiscale ambtenaar een uitzondering of is het een "faciliteit" die de fiscale dienst zich in bepaalde gevallen veroorlooft ?
3. Mag een jong controleur zelf zijn werkmethodes en de ondernemingen die hij zal controleren, bepalen ?
4. Zo ja, is dat de aangewezen manier om belastingcontrole te organiseren ?
5. Zo neen, op welk hiërarchish niveau wordt over het programma van een jong verificateur beslist ?
6. Neemt de hiërarchische overste in dat geval de verantwoordelijkheid voor de wetsovertreding op zich, en welke sanctie heeft de verificateur dan gekregen ?
7. Acht u het niet aangewezen, indien in dit specifieke geval nog geen onderzoek werd ingesteld, dat vooralsnog te doen, met dien verstande dat ervoor gewaakt wordt dat de gecontroleerde belastingplichtige noch onmiddellijk noch later het "slecht humeur" van de betrokken ambtenaren hoeft te ondergaan ?
ANTWOORD
Uit de bepalingen van artikel 315 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 blijkt dat de taxatieambtenaar niet mag eisen dat de boeken en bescheiden van de belastingplichtige naar zijn kantoor zouden worden gebracht.
Daarentegen machtigt artikel 316 van hetzelfde Wetboek de administratie de belastingplichtige mondelinge inlichtingen te vragen, zonder de plaats te preciseren waar die moeten worden gegeven. De inlichtingen mogen dus worden gevraagd op het kantoor van de taxatieambtenaar die de belastingplichtige daartoe kan roepen.
Wanneer de belastingplichtige niet alleen wordt verzocht zich op het controlekantoor te melden maar er ook boeken of bescheiden af te geven, heeft dat uitsluitend tot doel zoveel mogelijk te vermijden dat de belastingplichtige die aldaar uitleg verschaft bovendien nog bezoek van de taxatieambtenaar zou moeten ontvangen om de juistheid van de verstrekte inlichtingen te laten nagaan.
De gebruikte werkmethoden voor het onderzoek van de fiscale toestand van een belastingplichtige worden door de taxatieambtenaar bepaald binnen de grenzen van de hem verleende onderzoeksbevoegdheden en onder toezicht van de dienstleider. Deze laatste, alsmede de toezichtsambtenaren moeten waken over het goede verloop van de verificatiewerkzaamheden. Zij moeten oog hebben voor de vastgestelde of gesignaleerde gebreken en moeten maatregelen nemen om deze te verhelpen.
Wat de selectie van de te onderzoeken dossiers betreft, zij gebeurt volgens criteria opgenomen in een instructie van het Hoofdbestuur van de directe belastingen en onder verantwoordelijkheid van de dienstchef.
In het in de vraag beoogde geval was de door de taxatieambtenaar gebruikte onderzoeksmethode wellicht enkel ingegeven door de bekommernis om het dossier met een maximum aan informatie binnen een zo kort mogelijke tijdsperiode af te handelen, in welk geval zich, naar mijn mening, generlei sanctie opdringt.
Het is evident dat het feit dat de boeken en bescheiden niet in het controlekantoor werden voorgelegd, geen gevolgen mag hebben noch bij het lopende onderzoek noch bij de verdere behandeling van het dossier, waarbij de administratie, voor zover zij uiteraard wordt ingelicht, niet zou nalaten een onderzoek in te stellen indien zich ter zake enige moeilijkheden zouden voordoen.