Parlementaire vraag nr. 1195 van mevrouw Pieters van 07.01.2003

VRAAG 03/1195
Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 162, blz. 20856-20859
Bull. nr. 843, pag. 3287-3291
Gewone en bijkomende interestaftrek - Belastingvermindering kapitaalaflossing (bouwsparen en lange termijnsparen)
VRAAG
Ter gelegenheid van de aankoop, de nieuwbouw of de verbouwing van een eerste en/of enige woonhuis kunnen in hoofde van natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting onder welbepaalde wettelijke en reglementaire voorwaarden zowel fiscale aftrekken als belastingverminderingen wegens bouwsparen en lange termijnsparen worden verleend.
Die economische en fiscale stimulansen hebben onder meer betrekking op gewone en bijkomende interestaftrekken voor nieuwbouw en/of vernieuwbouw en op kapitaalaflossingen van hypothecaire leningen en individuele levensverzekeringspremies.
De algemene vraag rijst of, ongeacht of het al dan niet om een (private) woning in onverdeeldheid gaat, in al die gevallen:
1.
a) de betrokken belastingplichtige(n) de bedoelde (enige) woning effectief zelf geheel of gedeeltelijk verplichtend blijvend moet betrekken gedurende elk van de beoogde aanslagjaren van aftrek of belastingvermindering en tevens op dat adres in de bevolkingsregisters moeten zijn ingeschreven;
b) het telkens om een eerste of enige woning moet gaan;
c) de "woning" eventueel gedeeltelijk tot beroepsdoeleinden van de bewoners (natuurlijke personen en/of rechtspersonen eigenaars en/of huurders) mag worden aangewend?
2. Kan u uw huidige algemene klantvriendelijke ziens- en handelwijze meedelen in het licht van de bepalingen van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 van toepassing voor de aanslagjaren 2004 en volgende inzake personenbelasting?
ANTWOORD (van de minister van Financiën)
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden op haar vragen te willen vinden.
1. Noch voor de bijkomende interestaftrek, noch voor de gewone interestaftrek is vereist dat de belastingplichtige zijn woning zelf betrekt. Hij moet met andere woorden niet op dat adres in de bevolkingsregisters zijn ingeschreven. De interestaftrek mag zelfs worden toegestaan wanneer de woning wordt verhuurd aan een derde (die de "woning" al dan niet beroepsmatig aanwendt).
Op de bijkomende interestaftrek hebben alleen belastingplichtigen aanspraak die geen eigenaar zijn van een andere woning dan die waarvoor de aftrek wordt aangevraagd. De toestand wordt beoordeeld op 31 december van het inkomstenjaar.
Bij de gewone interestaftrek wordt de interest van schulden afgetrokken van de inkomsten van onroerende goederen op voorwaarde dat de schulden specifiek zijn aangegaan om die onroerende goederen te verkrijgen of te behouden. Men mag dus eigenaar zijn van meerdere onroerende goederen.
De hypothecaire interest die betrekking heeft op het deel van de woning dat door de eigenaar voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid wordt gebruikt, is uitgesloten van de gewone en de bijkomende interestaftrek. Het betreft hier immers interest met beroepskarakter die als beroepskosten aftrekbaar zijn.
Met betrekking tot de kapitaalsaflossingen van hypothecaire leningen aangegaan voor het bouwen, het verwerven of het verbouwen van een in België gelegen woning en de premies van individuele levensverzekeringen moet een onderscheid worden gemaakt tussen de in artikel 145 1, 2°, en 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) vermelde vermindering voor het lange termijnsparen en de in artikel 145 17, WIB 1992 vermelde vermindering voor het bouwsparen.
Voor de vermindering voor het lange termijnsparen is niet vereist dat de belastingplichtige de woning waarvoor hij een hypothecaire lening heeft aangegaan, zelf betrekt, noch dat het zijn eerste of enige woning is.
Wat de verhoogde vermindering voor het bouwsparen betreft, wordt een onderscheid gemaakt naargelang de hypothecaire lening is afgesloten vóór of vanaf 1 januari 1993.
Wanneer de lening vóór 1 januari 1993 is aangegaan, is de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen met betrekking tot de kapitaalaflossingen van die lening inzonderheid afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige voor het belastbare tijdperk recht heeft op de in artikel 16, WIB 1992, vermelde woningaftrek voor de desbetreffende woning, dat wil zeggen dat hij die woning ofwel persoonlijk betrekt, ofwel niet persoonlijk betrekt om beroepsredenen of redenen van sociale aard.
Die voorwaarde geldt mutatis mutandis voor de toepassing van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen met betrekking tot de premies van een individuele levensverzekering die de belastingplichtige in voorkomend geval heeft gesloten voor het vestigen van een kapitaal bij leven of bij overlijden dat uitsluitend dient voor het wedersamenstellen of het waarborgen van dergelijke vóór 1 januari 1993 afgesloten lening.
Wanneer de lening vanaf 1 januari 1993 is aangegaan, is de toekenning van de verhoogde vermindering voor het bouwsparen met betrekking tot de kapitaalaflossingen van die lening en, in voorkomend geval, de premies van een uitsluitend tot wedersamenstelling of waarborg van die lening gesloten individuele levensverzekering, daarentegen inzonderheid afhankelijk van de voorwaarde dat de desbetreffende woning bij het afsluiten van de lening de enige woning van de belastingplichtige is.
Wat de laatstgenoemde voorwaarde betreft, heb ik de administratie van Fiscale Zaken verzocht een wetsontwerp voor te bereiden dat ertoe strekt dat die voorwaarde niet langer op de datum van het afsluiten van de lening zou worden beoordeeld, maar wel jaarlijks, namelijk op 31 december van elk inkomstenjaar.
De omstandigheden dat de woning waarvoor een hypothecaire lening is aangegaan, gedeeltelijk beroepsmatig wordt gebruikt vormt geen beletsel voor de toepassing van de belastingverminderingen voor het lange termijnsparen en het bouwsparen. Bijgevolg moeten noch de kapitaalaflossingen van de voor die woning aangegane lening, noch de premies van een tot wedersamenstelling of tot waarborg van dergelijke lening gesloten individuele levensverzekering in verhouding tot het privé-gedeelte van die woning worden beperkt.
2. De hervorming van de personenbelasting houdt onder andere de decumul van de andere inkomsten dan de beroepsinkomsten - zoals bijvoorbeeld onroerende inkomsten - in. Het is de uitdrukkelijke wens van de regering dat de positieve maatregelen of effecten ten gunste van de gehuwden (en bij uitbreiding van wettelijke samenwonenden) niet verloren gaan door het invoeren van de decumul. Zo wordt door het herschrijven van artikel 14, WIB 1992 (artikel met betrekking tot de gewone interestaftrek) de compensatie behouden wanneer een gemeenschappelijke aanslag wordt toegepast.
Artikel 105, WIB 1992, werd eveneens herschreven en dit om rekening te houden met de gewijzigde terminologie (gemeenschappelijke aanslag).
De hierbovenvermelde wijzigingen zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005 (inkomsten 2004).