Parlementaire vraag nr. 41 van mevrouw Veerle Wouters van 07.03.2013

Parlementaire vraag nr. 41 van mevrouw Veerle Wouters dd. 07.03.2013

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2013-2014, QRVA 53/158 dd. 25.04.2014, blz. 110

Exitheffing. - Zetelverplaatsing vennootschap naar andere EU-lidstaat. - "Fiscale" wettelijke intrestvoet. - Schadevergoedend versus straffend karakter

VRAAG (van mevrouw Wouters)

In het arrest C-371/10 van 29 november 2011 oordeelt het Hof van Justitie dat een exitheffing waarbij onmiddellijk moet worden afgerekend over de latente meerwaarden bij verplaatsing van de werkelijke leiding van een vennootschap naar een andere lidstaat, niet voldoet aan het evenredigheidsbeginsel waardoor ze strijdig is met de vrijheid van vestiging (artikel 49 VWEU), tenzij de nationale regeling de keuze biedt tussen: - de onmiddellijke betaling van de exitheffing op het ogenblik dat de vennootschap haar werkelijke leiding verplaatst naar een andere EU-lidstaat, hetgeen tot een liquiditeitsnadeel zou leiden maar de vennootschap zou vrijstellen van latere administratieve lasten, of; - uitstel van betaling van de exitheffing, in voorkomend geval inclusief rente overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling, tot op het ogenblik dat de meerwaarden daadwerkelijk worden gerealiseerd, hetgeen voor de betrokken vennootschap noodzakelijkerwijs gepaard gaat met een administratieve last in verband met de monitoring van de verplaatste activa. In het geval waarin een vennootschap meent dat de met de uitgestelde invordering verbonden lasten buitensporig zijn, zou zij voor onmiddellijke betaling van de heffing kunnen kiezen.

1. Is de Belgische vereiste dat de vrijstelling van de exitheffing enkel geldt indien er een inrichting achterblijft in België (artikel 214bis WIB 92) verenigbaar met voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie?

2. Is de Belgische vereiste dat bij grensoverschrijdende reorganisatie (fusie, inbreng, zetelverplaatsing) er een onmiddellijke belastingheffing gebeurt op het ogenblik dat de activa effectief België verlaten (artikel 211, § 1, vijfde lid en § 2, laatste lid WIB92), en dus niet in een Belgische inrichting achterblijven, verenigbaar met voornoemde uitspraak van het Hof van Justitie? 3. Kan een vennootschap zich rechtstreeks beroepen op dit arrest om uitstel van betaling van de Belgische exitheffing te verkrijgen?

4. Welke maatregelen overweegt u te nemen opdat de opvolging van de latente meerwaarden tot het ogenblik dat zij daadwerkelijk worden gerealiseerd en dat zij aan de Belgische exitheffing worden onderworpen, mogelijk wordt?

5. Indien een vennootschap de keuze wordt gelaten tussen onmiddellijke betaling dan wel uitstel van betaling van de Belgische exitheffing, inclusief rente overeenkomstig de toepasselijke nationale regeling, dient die rente dan te worden bepaald aan de hand van de "fiscale" wettelijke rentevoet van 7% of de huidige wettelijke rentevoet in burgerlijke zaken van 4,25%?

6. Indien deze rente wordt berekend op basis van de "fiscale" wettelijke rentevoet van 7%, is deze rentevoet dan evenredig met de vrijheid van vestiging zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in voornoemd arrest, aangezien in de hogere rentevoet "in belastingzaken een strafrechtelijk element speelt" (Parl. St., Kamer, 2006-07, nr. 2773/021, 55-56)?

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

1. In het geval een vennootschap haar zetel naar een andere lidstaat van de Europese Unie verplaatst met behoud of oprichting van een Belgische inrichting, beantwoordt artikel 214bis, WIB 92 aan de uitspraak van het Hof van Justitie.

2. Als er geen behoud is van een Belgische inrichting kan België voorwaarden opleggen voor de niet-belasting op het moment van de zetelverplaatsing. De verschuldigde belasting wordt in ieder geval berekend op de waarde van de bestanddelen op het moment van de zetelverplaatsing, maar de betaling van deze belasting kan worden uitgesteld naar het moment waarop deze bestanddelen uit de vennootschap verdwijnen tengevolge van hun vervreemding of veroudering. De betrokken diensten van de FOD Financiën onderzoeken dan ook de impact van het arrest C-371/10 van het Hof van Justitie op het Belgisch fiscaal stelsel en bestuderen meer in het bijzonder de voorwaarden voor het uitstel van de betaling die ten gevolge van het voornoemd arrest aanvaardbaar zouden kunnen zijn.

3. De op prejudiciële vragen gewezen arresten hebben enkel een bindende kracht voor het rechtscollege dat de vraag heeft gesteld. Een prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie bevat ook geen uitdrukkelijk oordeel over de strijdigheid van een nationale norm met een gemeenschapsnorm. Het Hof interpreteert de Europese norm, daarna komt het de nationale rechter, die de prejudiciële vraag heeft gesteld, zelf toe om uit de door het Hof verstrekte uitlegging te besluiten of de nationale norm al dan niet in strijd is met de gemeenschapsnorm. Het zal bijgevolg aan de Belgische rechters toekomen om zich uit te spreken over de gevallen waarin vennootschappen zich beroepen op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-371/10.

4. De eventuele maatregelen tot opvolging van de betrokken activa en de toepassingsvoorwaarden op het moment waarop deze activa zich niet meer in de vennootschap bevinden worden momenteel nog door de bevoegde diensten van de FOD Financiën onderzocht.

5 en 6. Indien uit dit onderzoek zou blijken dat de belasting van de meerwaarden, zoals bedoeld in de artikelen 211 en 214 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, pas betaald moet worden op het moment waarop de activa zich niet meer in de vennootschap bevinden, kunnen voor de voorafgaande periode, dewelke aanvangt vanaf het moment dat de meerwaarde is vastgesteld, in de huidige stand van de wetgeving, geen nalatigheidsintresten worden opgelegd.