Parlementaire vraag nr. 277 van de heer Quintelier van 16.02.1993

VRAAG 93/277
Bull. nr. 728, pag. 1714
Schuldenaar van de onroerende voorheffing
Op bepaalde plaatsen zijn elektriciteitscabines ingeplant op een kadastraal perceel dat in volle eigendom is gebleven van de privé- eigenaar van het desbetreffende perceel.
Het gevolg hiervan is dat betrokken eigenaar volgens het Ministerie van Financiën de wettelijke eigenaar is van de elektriciteitscabine, niettegenstaande duidelijk blijkt dat het hier om een cabine gaat die werd ingeplant in functie van de residentiële bebouwing in de omgeving.
De eigenaar van het perceel, waarop de cabine staat, heeft in dit geval enkel een gedeelte van zijn perceel grond ter beschikking gesteld van de nutsmaatschappij.
Financieel heeft de betrokkene hier geen baat bij, integendeel, zijn aanslagbiljet voor het kadastraal inkomen verwijst hier duidelijk naar het feit dat hij eigenaar is van een elektriciteitscabine van algemeen nut.
Bovendien wordt hem een bedrag aangerekend voor de totale oppervlakte van het perceel en wordt geen rekening gehouden met de oppervlakte die in beslag werd genomen door de nutsmaatschappij.
Mag ik de geachte minister vragen op welke basis de aanslag voor dergelijke percelen wordt berekend en of het niet billijker ware in dit geval geen rekening te houden met een zogenaamde meerwaarde van het perceel, gezien betrokken eigenaar hiervoor geen enkele vergoeding ontvangt ?
Tevens wens ik te vernemen of de privé-eigenaar de maatschappij niet kan verplichten het terrein waarop de cabine staat over te kopen.
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 251 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen en dit op basis van de inschrijvingen in de kadastrale legger.
De gebouwen die op andermans grond werden opgericht worden in de kadastrale bescheiden ingeschreven op naam van de eigenaar van de grond.
Krachtens artikel 3 van het koninklijk besluit van 26 juli 1877 (Belgisch Staatsblad van 18 augustus 1877) houdende het reglement voor de bewaring van het kadaster, zoals dit artikel werd gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 april 1966 (Belgisch Staatsblad van 11 mei 1966), kunnen de op andermans grond opgerichte gebouwen in de kadastrale bescheiden evenwel op naam van de bouwer worden ingeschreven voor zover deze gebouwen werden opgericht met een toelating tot bouwen of een verzaking aan het recht van natrekking vastgesteld bij een geregistreerde akte en op voorwaarde dat deze akte uitdrukkelijk het gedeelte van de grond aangeeft waarop het recht tot bouwen mag worden uitgeoefend. Anderdeels moet het akkoord tussen de bouwer en de eigenaar van het erf voortvloeien, hetzij uit een aanvraag tot inschrijving die door hen gezamenlijk bij de administratie van het Kadaster wordt ingediend, hetzij uit een akte die tegen hen kan worden ingeroepen.
Bij het vervullen van deze voorwaarden worden de gebouwen, op naam van de bouwer in de kadastrale legger ingeschreven en wordt het eraan toegekend kadastraal inkomen op zijn naam, niet alleen in de onroerende voorheffing, maar tevens in de globale belasting, aangeslagen.
Het antwoord op de vraag van het geachte lid omtrent het verplicht aankopen van het terrein, waarop een elektriciteitscabine werd opgericht door de maatschappij ressorteert onder het burgerlijk recht en de stedebouwkundige voorschriften en behoort niet tot de bevoegdheid van de administratie van het Kadaster.