Parlementaire vraag nr. 2539 van mevrouw Griet Smaers van 14.02.2019

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2018-2019, QRVA 54/184, d.d. 04.04.2019, blz. 172

Het nieuwe kapitaalbegrip inzake VVPRbis

VRAAG

Gezien de bespreking van het ontwerp met betrekking tot de fiscale bepalingen ten gevolge van het nieuwe wetboek vennootschappen is afgerond, had ik toch graag nog enkele zaken verduidelijkt gezien.

Met de afschaffing van het maatschappelijk kapitaal en het nieuwe kapitaalbegrip, zoals voorzien in artikel 269, §2, derde lid WIB 92, wordt het toepassingsgebied van de VVPRbis-regeling aangepast.

Tot op vandaag wordt immers de toepassing van het gunstige RV-tarief voorbehouden aan de vennootschappen met een minimumkapitaal. De uitsluiting van de vennootschappen zonder minimumkapitaal wordt met dit wetsontwerp echter geschrapt. Dat maakt dus dat de verschillende vennootschapsvormen zonder kapitaal de facto van de toepassing van het VVPRbis-regime kunnen genieten in de toekomst.

1. Kan u verduidelijken of men met deze wijziging de toepassing van het VVPRbis-regime niet breder maakt? Zo ja, is er volgens u dan een budgettaire weerslag en hoeveel bedraagt die dan?

2. Indien er een budgettaire weerslag is, is er volgens u dan nog sprake van een fiscaal neutraal wetsontwerp?

ANTWOORD

1. Om de verschillende vennootschapsvormen op gelijke voet te behandelen, is er bij de invoering van de VVPRbis regeling destijds voor gekozen om de minimumkapitaalvereiste voor een bvba, vermeld in artikel 214, §1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ook te laten gelden voor de vennootschapsvormen die geen of een lagere minimumkapitaalvereiste kennen. Doordat in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen de kapitaalvereiste voor alle vennootschapsvormen, behalve voor de nv, opgeheven wordt, is de bepaling in artikel 269, §2, derde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen (WIB 92), in die zin niet meer nodig. Om de filosofie van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen te respecteren, is er dan ook voor gekozen om dit artikel 269, §2, derde lid, WIB 92, op te heffen. Deze opheffing is van toepassing op kapitaalverhogingen en - verminderingen doorgevoerd vanaf 1 mei 2019. Van zodra dus een nu nog geviseerde vennootschap haar kapitaal ten vroegste op 1 mei 2019 heeft verhoogd of verminderd, zal de kapitaalvereiste niet meer op haar van toepassing zijn en zullen haar dividenduitkeringen, indien voldaan aan de overige voorwaarden in dat artikel 269, §2, WIB 92, in aanmerking komen voor de verlaagde roerende voorheffing.

Deze opheffing leidt inderdaad tot een verbreding van de toepassing van de VVPRbis-regeling, die in de praktijk echter al bij al beperkt zou moeten blijven. Voor de meest gekozen vennootschapsvorm, de bvba, verandert er namelijk weinig tot niets. Op vennootschapsrechtelijk niveau wordt de verdwijning van de minimumkapitaalvereiste in het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen opgevangen door een minimum "aanvangsvermogen", dat voor iedere bv (ter vervanging van de bvba) afzonderlijk bepaald zal worden, en een verstrenging van de voorwaarden inzake het "financieel plan". Bovendien zullen zij slechts dividenden mogen uitkeren wanneer blijkt dat de liquiditeit en solvabiliteit van de vennootschap voldoende groot is en blijft. De overige vennootschapsvormen vormen sowieso al een minderheid in aantal en hun aandeel in de totale dividenduitkeringen is gezien hun meer persoonsgebonden karakter nog kleiner.

2. Wat de budgettaire impact betreft uitgaande van de schrapping van het artikel 269, §2, derde alinea, WIB 92 kan ik u het volgende mededelen. De opbrengst aan roerende voorheffing voor de momenteel betrokken vennootschappen wordt voor het jaar 2018 ingeschat op 35,5 miljoen euro. Uitgedrukt in functie van de totale opbrengst van de roerende voorheffing geïnd op vlak van de dividenden, die 2.546.947.794,86 euro bedraagt in 2018, beloopt het aandeel van de bovenbedoelde vennootschappen nauwelijks 1,39 %, wat dus vrij beperkt is.

Wat de verbreding van het toepassingsgebied aangaat, is hierboven reeds aangestipt dat de implicaties normaliter vrij beperkt zullen zijn. Daarbij dient aangestipt dat een eventuele minderwaarde uitgaande van een tariefverlaging op vlak van de roerende voorheffing bij toepassing van de nieuwe wetgeving gecompenseerd kan worden door het feit dat er makkelijker dividenden worden uitgekeerd gezien de lagere aanslagvoet. Er wordt dus vanuit gegaan dat de nieuwe wetgeving nauwelijks impact zal sorteren op de fiscale ontvangsten ter zake. Uiteraard zal het verloop van de geïnde ontvangsten ter zake, zoals dat ook voor andere maatregelen het geval is, door mijn administratie nauwgezet worden opgevolgd.