Parlementaire vraag nr. 662 van de heer Anthuenis van 20.04.2001
VRAAG 01/662
Bull. nr. 827, pag. 1675-1678
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 105, blz. 12326-12327
Gebruik bijzondere aanslagtermijn door AOIF
VRAAG
Ingevolge de bepalingen van artikel 354 van het WIB 1992 mag de belasting of de aanvullende belasting bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de aangifte, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd.
Artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992 bepaalt echter dat de belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd nadat deze termijn is verstreken, ingeval bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in de loop van één der vijf jaren voor het jaar waarin de administratie kennis krijgt van die gegevens.
Anderzijds bepaalt artikel 81 van het BTW-Wetboek dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan.
Uit de praktijk blijkt dat sommige controlediensten van de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) bij een gezamenlijke controle handig gebruik maken van de combinatie van deze wetsartikelen om op het vlak van de inkomstenbelastingen verder terug te gaan in de tijd dan de in artikel 354 WIB 1992 vooropgestelde termijn van drie jaar.
1. Acht u het aanvaardbaar dat, ingeval de AOIF een gezamenlijke controle uitvoert inzake directe belastingen en BTW, toepassing wordt gemaakt van de bepalingen van artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992, om op die manier op het vlak van de inkomstenbelastingen verder te kunnen gaan in de tijd dan de wettelijk voorziene termijn van drie jaar?
2. Is het niet zo dat artikel 358, § 1, 4°, van het WIB 1992 eerder bedoeld is voor de gevallen waarin er een kennisgeving geschiedt van een andere dienst, maar niet voor de gevallen waarin een controle gezamenlijk en op hetzelfde tijdstip door verschillende diensten wordt uitgevoerd?
Zo niet heeft het instandhouden van de termijn van drie jaar, zoals vermeld in artikel 354 van het WIB 1992, geen enkele zin meer in het kader van de oprichting van de gezamenlijke controlecentra bij de AOIF.
ANTWOORD
Krachtens artikel 87 van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980 (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1980) zoals vervangen bij artikel 95 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999) hebben de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (AOIF) en haar ambtenaren de bevoegdheden die door de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake belastingen, rechten en taksen worden verleend aan de fiscale administraties en aan hun ambtenaren.
Wat betreft de bijzondere aanslagtermijn bedoeld in artikel 358, § 1, 4°, en § 2, 4°, van het WIB 1992, is de AOIF gemachtigd op basis van de wetgeving inzake inkomstenbelasting deze termijn toe te passen met betrekking tot de daar bedoelde bewijskrachtige gegevens waarop ze kennis heeft gekregen door de implementatie van de BTW-wetgeving.
Meer algemeen is de uitwisseling van inlichtingen tussen fiscale - en andere - administraties in overeenstemming met de wet (zie artikel 335 van het WIB 1992 voor de uitwisseling van inlichtingen tussen fiscale administraties). Niettemin is het taak van de ambtenaren die met de onderzoeken worden belast om de juiste heffing van een bepaalde belasting te waarborgen, specifieke onderzoeksmachten van een andere fiscale administratie niet te gebruiken om inlichtingen te krijgen die ze niet zouden kunnen krijgen indien ze de hun door de wet toegekende onderzoeksmachten zouden gebruiken.
Bron: FisconetPlus
