Parlementaire vraag nr. 1619 van de heer Cuyt van 19.01.1999
VRAAG 99/1619
Vr. en Antw., Kamer, 1998-1999, nr. 166, blz. 22314
Bull. nr. 792, pag. 1254
Berekening netto-bestaansmiddelen.
VRAAG
Artikel 136 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat als ten laste van echtgenoten of van alleenstaanden beschouwd worden die personen die deel uitmaken van het gezin op 1 januari van het aanslagjaar en die in het belastbare tijdperk geen bestaansmiddelen hebben gehad die meer dan 60.000 frank netto bedragen.
Artikel 141, WIB 1992, verhoogt het bedrag van 60.000 tot 90.000 frank voor kinderen ten laste van een alleenstaande en tot 120.000 frank voor gehandicapte kinderen ten laste van een alleenstaande. Deze bedragen zijn gekoppeld aan de index. Voor het aanslagjaar 1998 werden deze bedragen vastgesteld op 110.00 frank voor kinderen ten laste van een alleenstaande en 147.000 frank voor gehandicapte kinderen ten laste van een alleenstaande (bericht, 19 februari 1997, de automatische indexering inzake inkomstenbelasting - aanslagjaar 1998).
Artikel 99, WIB 1992, bepaalt dat onderhoudsuitkeringen voor de vaststelling van het netto-inkomen in aanmerking genomen worden tot 80 % van het aan de verkrijger betaalde of toegekende bedrag. Naar mijn mening worden de onderhoudsuitkeringen tot die 80 % beperkt voor de bepaling van de door de artikelen 136 en 141, WIB 1992, bedoelde netto-bedragen van (niet-geïndexeerd) 60.000, 90.000 en 120.000 frank, dit wil zeggen 48.000, 72.000 en 96.000 frank.
Kan ik dan ook van de veronderstelling uitgaan dat deze som kan worden aangevuld met inkomsten uit vakantiejobs, speelpleinwerking, sportactiviteiten tot het maximumbedrag bereikt is om nog fiscaal ten laste te zijn?
| 1. | Is de door mij gevolgde redenering correct ? |
| 2. | Zo neen, wat is de juiste interpretatie dan ? |
ANTWOORD
Vooreerst wens ik de aandacht van het geachte lid erop te vestigen dat de wijze waarop het nettobedrag van de bestaansmiddelen met het oog op de fiscale tenlasteneming van kinderen, ascendenten, enz., moet worden bepaald, is vastgelegd in artikel 142 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
Daaruit blijkt dat onder het nettobedrag van de bestaansmiddelen moet worden verstaan, het brutobedrag daarvan verminderd met de kosten die de belastingplichtige verantwoordt gedurende het belastbare tijdperk te hebben gedaan of gedragen om die middelen te verkrijgen of te behouden. Bij gebrek aan bewijskrachtige gegevens worden de aftrekbare kosten vastgesteld op 20% van het brutobedrag van de bestaansmiddelen, met een minimum van 13.000 frank (aanslagjaar 2000 - inkomsten van het jaar 1999) wanneer die bestaansmiddelen bestaan uit bezoldigingen van werknemers of baten.
In de praktijk betekent dit dat het nettobedrag van de door het geachte lid beoogde bestaansmiddelen in de regel wordt verkregen door samenstelling van de als volgt vastgestelde bedragen:
- wat de onderhoudsuitkeringen betreft, 80% van het werkelijk ontvangen bedrag;
- wat de bijvoorbeeld ingevolge studentenarbeid ontvangen bezoldigingen van werknemers betreft. het laagste van de volgende drie resultaten:
- het belastbare brutobedrag min de werkelijke beroepskosten;
- het belastbare brutobedrag min 20%;
- het belastbare brutobedrag min 13.000 frank (inkomsten 1999).
Indien het niet te overschrijden grensbedrag voor het inkomstenjaar 1999 bijvoorbeeld 76.000 frank bedraagt, mag een kind dat voor het overige aan de voorwaarden voldoet, door de belastingplichtige fiscaal ten laste worden genomen indien het in datzelfde jaar bijvoorbeeld slechts de volgende bestaansmiddelen heeft gehad:
Werkelijk ontvangen Belastbaar onderhoudsuitkering brutoloon
a) 60.000 frank 41.000 frank b) 80.000 frank 25.000 frank c) 95.000 frank 13.000 frank In die gevallen wordt het nettobedrag van de bestaansmiddelen, bij gebrek aan werkelijk verantwoorde kosten, immers als volgt vastgesteld: Onderhoudsuitkering + loon = nettobestaansmiddel a) (60.000 x 80 %) + (41.000 - 13.000) = 76.000 frank b) (80.000 X 80 %) + (25.000 - 13.000) = 76.000 frank c) (95.000 X 80 %) + (13.000 - 13.000) = 76.000 frank
Bron: FisconetPlus
