Parlementaire vraag nr. 385 van de heer Joseph George van 16.05.2011
Vragen en Antwoorden, Kamer 2010-2011, nr. 30 van 25.05.2011, blz. 59
Personenbelasting
Energiebesparende investering
Energiebesparende uitgave
Belastingvermindering
Toepassingsvoorwaarden van de vermindering voor energiebesparende uitgaven
VRAAG
Ons energiebesparingsbeleid stoelt voor een deel op financiële stimulansen, die trouwens bijzonder doeltreffend blijken te zijn. In artikel 145/24 van het WIB 1992 wordt opgesomd voor welke energiebesparende uitgaven er een belastingvermindering kan worden verleend. Naar verluidt hebben sommige belastingplichtigen evenwel een brief van de belastingdienst ontvangen met de mededeling dat verscheidene onderdelen van hun nieuwe, energiezuinigere installatie niet aftrekbaar zijn. De belastingdienst beschouwt die nochtans voor de werking van de verwarmingsinstallatie noodzakelijke onderdelen (bijvoorbeeld: de schoorsteenvoering voor een condensatieketel) als 'daarmee verband houdende werken' die niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de belastingvermindering! De belastingdienst beroept zich voorts op een administratieve omzendbrief waarin aanbevolen wordt om de bijbehorende kosten niet in aanmerking te nemen. Uitgaande van artikel 145/24 van het WIB 1992 en het principe in dubio contra fiscum, en in de wetenschap dat een administratieve omzendbrief geen enkele rechtswaarde heeft, heb ik dan ook de volgende vragen:
1. wat verstaat de Federale Overheidsdienst Financiën precies onder 'daarmee verband houdende werken' en 'bijbehorende kosten'?
2. Wat is de inhoud van die administratieve omzendbrief en welke aanbevelingen worden er precies in gedaan?
3. Hoe kunnen de benadeelde belastingplichtigen schadeloosstelling verkrijgen?
ANTWOORD (van de heer Reynders, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen)
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 145/24, § 1, 1ste lid, 1°, van het WIB92 wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vervanging van een oude stookketel of het onderhoud van een stookketel met het oog op een rationeler energieverbruik in een woning waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder, vruchtgebruiker of huurder is. In de circulaires van 22 september 2009 (Ci.RH.331/554.678 - punt 71) en 22 februari 2011 (Ci.RH.331/605.643 - punt 65) verduidelijkt de administratie, overeenkomstig de wettekst, dat de maatregel van toepassing is op de stookketel en niet op de verwarmingsinstallatie en dat men dus voor de bovengenoemde belastingvermindering enkel de brander, het verwarmingselement van de stookketel en de noodzakelijke elementen voor de werking van de stookketel in aanmerking mag nemen, met uitsluiting van uitwendige elementen zoals namelijk het expansievat, de pomp, de radiatoren, de leidingen en de schouw. Wat daarentegen de warmteregeling van een installatie van centrale verwarming betreft, is er een andere belastingvermindering bepaald bij artikel 145/24, § 1, 1ste lid, 6°, van het WIB92. Deze technische voorwaarden werden opgesteld in overleg met de diensten van de Federale Overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie.
