Parlementaire vraag nr. 1798 van de heer Georges Gilkinet van 24.08.2017
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/137 d.d. 28.11.2017, blz. 390
Strijd tegen belastingparadijzen
VRAAG (van de heer Gilkinet)
Het valt niet te ontkennen dat de opeenvolgende regeringen al enkele jaren inspanningen doen om wets- en reglementaire bepalingen goed te keuren die ertoe strekken belastingparadijzen aan te pakken.
1. Ik heb de volgende vragen in verband met de in 2010 ingevoerde bepaling op grond waarvan in België actieve vennootschappen worden verplicht om (op straffe van het schrappen van de aftrekmogelijkheid ingeval die informatie niet meegedeeld wordt) vanaf een bepaald bedrag aan te geven welke betalingen ze hebben verricht aan personen die gevestigd zijn in bepaalde als belastingparadijzen aangemerkte landen.
a) Over hoeveel dossiers kwamen er per kalenderjaar, sinds de inwerkingtreding van de maatregel en los van de werkingssfeer ervan, op het nationale niveau en bij elk Gewest in institutionele zin (op basis van de locatie van de maatschappelijke zetel of de vestiging) inlichtingen binnen bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) over aanwijzingen van witwassing van ernstige of georganiseerde fiscale fraude, en over welke bedragen ging het daarbij (op basis van het bedrag van de door de betrokken vennootschap verrichte en aangegeven betalingen)?
b) Hoeveel dossiers werden er per kalenderjaar, sinds de inwerkingtreding van de maatregel en los van de werkingssfeer ervan, in totaal gecontroleerd? Kunt u deze gegevens opsplitsen per administratie (de Bijzondere Belastinginspectie (BBI), de Dienst Voorafgaande Beslissingen in fiscale zaken (AOIF) of de diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit die respectievelijk met Kleine en Middelgrote Ondernemingen en met Grote Ondernemingen zijn belast), en per Gewest in institutionele zin (op basis van de locatie van de maatschappelijke zetel of de vestiging)? Tot hoeveel aanslagbiljetten leidden die controles per kalenderjaar, op basis van de datum waarop de aanslagbiljetten werden opgesteld? Wat was het bedrag van de verhogingen van de belastbare basis die uit die controles voortvloeiden? Kunt u voor die twee punten zowel de totale aantallen en bedragen meedelen als de uitgesplitste gegevens voor de BBI en de diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit die respectievelijk met Kleine en Middelgrote Ondernemingen en met Grote Ondernemingen zijn belast? Een verhoging van de belastbare basis heeft zowel betrekking op de belastbare basis die werd verhoogd naar aanleiding van de niet-naleving van een bepaald punt van de aangifteverplichting ten aanzien van voormelde betalingen, als op de belastbare basis die werd verhoogd naar aanleiding van het onderzoek naar de fiscale aspecten van dergelijke betalingen in het licht van verschillende bepalingen van het WIB 92 inzake verrekenprijzen, abnormale of goedgunstige voordelen, de uitbetaling van rente, etc.
c) Heeft uw administratie tijdens haar controles operaties aan het licht gebracht waarmee Belgische bedrijven mogelijk schuldvorderingen aan vennootschappen in belastingparadijzen overdroegen en die werden gevolgd door operaties waarmee andere Belgische vennootschappen van hetzelfde concern diezelfde schuldvorderingen afkochten? Hoeveel keer per jaar kwam dat voor? Wat was de reactie daarop?
d) Hoeveel dossiers werden er sinds de inwerkingtreding van die maatregel en los van de werkingssfeer ervan, per kalenderjaar bij de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) ingediend in het stadium van de prefiling of in het stadium van een aanvraag voor een voorafgaande beslissing?
2. Ik heb de volgende vragen in verband met de vangnetbetaling inzake de belasting van niet-inwoners (BNI), die in 2013 werd ingevoerd en krachtens welke schuldenaars (Belgische vennootschappen of Belgische inrichtingen van een niet-inwoner) van bedragen die aan in belastingparadijzen gevestigde vennootschappen werden gestort, in bepaalde omstandigheden verplicht zijn een fiche 281.30 uit te reiken en, als ze niet kunnen aantonen dat de gestorte bedragen in het desbetreffende land werden belast (daarvoor is er een specifiek formulier beschikbaar), een op basis van die bedragen berekende bedrijfsvoorheffing in te houden en te storten.
a) Kunt u me per kalenderjaar, sinds de inwerkingtreding van de maatregel en los van de werkingssfeer ervan, voor het nationale niveau en voor elk Gewest in institutionele zin (op basis van de locatie van de schuldenaar van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing) de volgende gegevens
bezorgen:
- het aantal uitgereikte fiches 281.30 en de totaalbedragen per kalenderjaar;
- het aantal dossiers waarbij er bedrijfsvoorheffing werd ingehouden en het totaal van die ingehouden bedragen;
- het aantal dossiers waarbij er een of meerdere bijlagen werden gevoegd tot staving van de belastingheffing in het land van de begunstigde(n), het aantal bijlagen en de gestorte bedragen;
- een inventaris per kalenderjaar van de landen die in die ter staving ingediende bijlagen worden vermeld, met vermelding van de bedragen per land?
b) Hoeveel dossiers werden er per kalenderjaar, sinds de inwerkingtreding van de maatregel en los van de werkingssfeer ervan, in totaal gecontroleerd? Kunt u uw gegevens opsplitsen per administratie (BBI, AOIF of de diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit die met Kleine en Middelgrote Ondernemingen of met Grote Ondernemingen zijn belast) en per Gewest in institutionele zin (op basis van de locatie van de maatschappelijke zetel van de Belgische vennootschap)? Tot hoeveel aanslagbiljetten leidden die controles per kalenderjaar, op basis van de datum waarop die aanslagbiljetten werden opgesteld? Welk bedrag vertegenwoordigden de verhogingen van de belastbare basis die uit die controles voortvloeiden? Kunt u voor die twee punten zowel de totale aantallen en bedragen meedelen als de uitgesplitste gegevens voor de BBI en de diensten van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit die respectievelijk met Kleine en Middelgrote Ondernemingen en met Grote Ondernemingen zijn belast? Een verhoging van de belastbare basis heeft zowel betrekking op de belastbare basis die werd verhoogd naar aanleiding van het onderzoek naar het fiscale aspect van voormelde betalingen (als de schuldenaar bijvoorbeeld geen bewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat de bedragen in het land van de begunstigde werden belast en als hij in dat geval de bedrijfsvoorheffing niet heeft ingehouden), als op de belastbare basis die werd verhoogd naar aanleiding van het onderzoek naar de fiscale aspecten van dergelijke betalingen in het licht van artikel 49 van het WIB 92, de bepalingen inzake verrekenprijzen, abnormale of goedgunstige voordelen, etc.
c) Hoeveel dossiers werden er sinds de inwerkingtreding van die maatregel en los van de werkingssfeer ervan, per kalenderjaar bij de DVB ingediend in het stadium van de prefiling of in het stadium van een aanvraag voor een voorafgaande beslissing?
ANTWOORD (van de Minister van Financiën)
1. a) De dienst Coördinatie Anti-Fraude (CAF) heeft één dossier overgemaakt aan de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI) overeenkomstig artikel 33, derde lid van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van het terrorisme.
b) De formele bepalingen van artikel 337 van het Wetboek inkomstenbelastingen 1992 met betrekking tot het beroepsgeheim, laten me niet toe concreet te antwoorden op de gestelde vraag.
c) Er bestaat er zake geen gestructureerde informatie.
d) De Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) heeft te maken gehad met verschillende aanvragen betreffende deze maatregel:
- in 2011, één aanvraag tot voorafgaande beslissing (1 Nl);
- in 2012, één aanvraag tot voorafgaande beslissing (1 Nl);
- in 2013, vier aanvragen tot voorafgaande beslissing (2 Fr en 2 Nl);
- in 2014, twee aanvragen tot voorafgaande beslissing (2 Nl);
- in 2015, drie aanvragen tot voorafgaande beslissing (2 Fr en 1 Nl);
- in 2016, één aanvraag tot voorafgaande beslissing (1 Nl);
- in 2017, twee aanvragen tot voorafgaande beslissing (1 Fr en 1 Nl).
2. a) en b) De "vangnetbepaling voor de belasting van niet-inwoners (BNI)" die vorm kreeg door het toevoegen van een § 3 aan het artikel 228, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), richt zich niet specifiek op de betaalde bedragen aan vennootschappen die in belastingparadijzen gevestigd zijn. De bepaling richt zich op sommige winst of baten die voortkomen uit een dienst die voorheen niet belastbaar waren in België en die worden toegekend aan een niet inwoner ongeacht of hij al dan niet inwoner is van een belastingparadijs.
Deze bepaling is echter slechts van toepassing wanneer:
- ofwel de inkomsten in uitvoering van een dubbelbelastingverdrag in België belastbaar zijn;
- ofwel, in geval geen dergelijk dubbelbelastingverdrag van toepassing is, de belastingplichtige niet het bewijs levert dat de inkomsten daadwerkelijk worden belast in de staat waarvan hij inwoner is. Een inkomen is "daadwerkelijk belast" wanneer het in de betreffende staat aan de belasting onderworpen is, ongeacht de vorm en het tarief van de belasting, en in die staat geen enkele belastingvrijstelling geniet. Het feit dat die staat als een belastingparadijs wordt beschouwd, is dus geen relevant criterium. Wanneer de inkomsten belastbaar zijn overeenkomstig deze bepaling, is de schuldenaar-inwoner van België van de inkomsten verplicht een bedrijfsvoorheffing van 33 % berekend op het netto inkomen in te houden die in principe bevrijdend is en een fiche 281.30 op te stellen. Deze verplichtingen worden hem opgelegd ongeacht of de verkrijger niet-inwoner van de inkomsten al dan niet inwoner is van een belastingparadijs. Bijgevolg zullen de statistieken die u vraagt niet veel verduidelijken over het belasten van de diensten specifiek
geleverd door belastingplichtigen die inwoner zijn van belastingparadijzen.
c) De DVB heeft te maken gehad met verschillende aanvragen betreffende deze maatregel:
- in 2014, één prefiling aanvraag die geen aanvraag tot voorafgaande beslissing tot gevolg heeft gehad (Nl) en één aanvraag tot voorafgaande beslissing (Nl);
- in 2015, één prefiling aanvraag die geen aanvraag tot voorafgaande beslissing tot gevolg heeft gehad (Nl) en één aanvraag tot voorafgaande beslissing (Nl);
- in 2016, drie aanvragen tot voorafgaande beslissing (twee Fr en één Nl);
- in 2017, één prefiling aanvraag die geen aanvraag tot voorafgaande beslissing tot gevolg heeft gehad (één Fr) en zes aanvragen tot voorafgaande beslissing (één Fr en vijf Nl (waarvan twee aanvragen tot beslissing die nog niet hebben geleid tot een beslissing)).
