Parlementaire vraag nr. 155 van mevrouw Pieters van 21.11.2003

VRAAG 03/155
Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 28, blz. 4329-4332
Kijkwoningen - Voorraden - Waardeverminderingen - Kadastraal inkomen - Onroerende voorheffing
VRAAG
Door veel bouwondernemingen en bouwpromotoren worden kijkwoningen en kijkdorpen gebouwd met het oog op publicitaire doeleinden en na kort verloop van tijd met winst verkocht en later soms van de nieuwe eigenaars terug ingehuurd voor verdere reclame- en verkoopsdoeleinden.
In de praktijk rijzen met betrekking tot "kijkwoningen " evenwel de volgende algemene pertinente vragen.
1. Op grond van welke wettelijke en/of reglementaire bepalingen en tegen welk normaal gemiddeld afschrijvingspercentage of vast forfaitair bedrag kunnen op bedoelde vermogensbestanddelen op fiscaal vlak gewone en/of uitzonderlijke afschrijvingen of waardeverminderingen in aanmerking worden genomen?
2. Op wie rust de bewijslast van het bestaan van die eventuele werkelijke waardeverminderingen en gewone en/of uitzonderlijke afschrijvingen?
3.
a) Dient aan beoogde gebouwde onroerende goederen een kadastraal inkomen te worden toegekend?
b) Zo ja, op grond van welke concrete wettelijke bepalingen en op grond van welke gegronde en behoorlijke motieven?
4. Kan u uw algemene praktische ziens- en handelwijze meedelen in het licht van onder meer de wettelijke bepalingen van de artikelen 49, 52, 6°, 61, eerste lid, 183, 185, 251, 477 en 478 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992?
ANTWOORD (minister van Financiën, 08.04.2004)
Artikel 2, § 7, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) bepaalt onder meer dat de uitdrukkingen "materiële vast activa" en "voorraden en bestellingen in uitvoering" de betekenis hebben die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
Hieruit volgt dan ook dat onroerende goederen die door een vennootschap werden aangekocht of gebouwd met het oog op de herverkoop ervan eveneens op fiscaal vlak als "voorraden" moeten worden aangemerkt.
Overeenkomstig artikel 69 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen worden de voor verkoop bestemde gebouwen gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de marktwaarde op balansdatum als die lager is. De waardering tegen die lagere marktwaarde mag evenwel niet worden gehandhaafd indien achteraf de marktwaarde hoger is dan de lagere waarde waartegen de voorraad werd gewaardeerd (zie nr. 24/86, Com.IB 1992). Voorts bepaalt artikel 70 van voornoemd koninklijk besluit van 30 januari 2001 dat op voor verkoop bestemde gebouwen aanvullende waardeverminderingen mogen worden geboekt om rekening te houden met de evolutie van de realisatieof marktwaarde, ofwel met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten of van de gevoerde activiteit (zie nr. 24/109, Com.IB 1992).
Dienaangaande wens ik te benadrukken dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 49, WIB 1992, de bewijslast inzake waardeverminderingen op de belastingplichtige rust.
Aan de kijkwoningen dient inderdaad een kadastraal inkomen te worden toegekend, en hierop is, in principe, de jaarlijkse onroerende voorheffing verschuldigd in de drie gewesten van het Rijk. Evenwel kan door de bevoegde gewestelijke overheid een tijdelijke, gehele of gedeeltelijke, vrijstelling van de onroerende voorheffing worden verleend in het kader van de maatregelen ter bevordering van de economische expansie.
Overeenkomstig de bepalingen van artikel 473, WIB 1992, is de belastingplichtige ertoe gehouden uit eigen beweging bij de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen - sector Kadaster - aangifte te doen van de ingebruikneming of de verhuring, zo deze de ingebruikneming voorafgaat, van de nieuw opgerichte of herbouwde onroerende goederen.
Deze bepaling roept het begrip productiviteit op. De gebeurtenis waarover het gaat houdt in dat een onroerend goed wordt gebruikt volgens zijn bestemming of voor andere doeleinden, maar tevens dat een onroerend goed, zonder materieel te worden gebruikt, een inkomen genereert voor de belastingplichtige.
Deze gebeurtenis lokt bijgevolg de fiscale en technische bewerkingen uit met betrekking tot het betrokken perceel, waaronder meer bepaald de schatting van het kadastraal inkomen van het nieuw opgericht onroerend goed, volgens de bepalingen van artikel 494, § 1, 1°, WIB 1992.
Het doorslaggevend element om kwestieuze onroerende goederen te beschouwen als in gebruik genomen in de zin van de voormelde bepalingen is het feit dat zij door de bouwpromotoren kunnen gebruikt worden als middel om zich een rechtstreeks inkomen te verschaffen.
Eens deze constructies volledig afgewerkt zijn, aangesloten zijn op het openbaar wegennet en vatbaar voor onmiddellijke ingebruikneming als huisvesting, moeten zij, indien zij door de bouwpromotoren worden gebruikt voor een min of meer lange periode (en niet op een voorlopige wijze), voor publiciteitsdoeleinden voor hun firma en voor de voorstellingen van de kwaliteit en de mogelijkheden van hun bouwtechnieken, bijgevolg worden beschouwd als ingebruik genomen en als belastbaar worden ingeschreven in de kadastrale legger.
Met betrekking tot het kadastraal inkomen van de onroerende goederen stelde de wetgever expliciet wie de onroerende voorheffing is verschuldigd. De overeenkomstig de bepalingen van artikel 251, WIB 1992, geïdentificeerde belastingplichtige van de bedoelde goederen wordt in de kadastrale stukken ingeschreven.
Vermits de beoogde kijkwoningen per definitie alle kenmerken vertonen die eigen zijn aan de klassieke woning, zijn er voor de vaststelling van hun kadastraal inkomen geen bijzondere regels voorzien dan diegene die gelden voor het gewone woonhuis. Er wordt terzake dan ook geen van de artikelen 477 en 478, WIB 1992, afwijkende toepassing gemaakt.
Aangezien het geachte lid ongetwijfeld een concreet geval beoogt, ben ik bereid dit te laten onderzoeken indien mij de identiteit van de betrokken belastingplichtige wordt meegedeeld.