Parlementaire vraag nr. 1461 van de mevrouw Kathleen Deckx van 27.03.2012
Mondelinge parlementaire vraag nr. 1461 van de mevrouw Kathleen Deckx dd. 27.03.2012
Vlaams Parlement, Handelingen, Commissie voor Financiën, C180 - FIN12, blz. 2
Het recht op vermindering op de onroerende voorheffing wegens bescheiden woning
De voorzitter: Mevrouw Deckx heeft het woord.
Mevrouw Kathleen Deckx: Voorzitter, minister, geachte leden, ik kom voor het eerst naar deze commissie, en dat om het te hebben over een kwestie die me toch wel ten zeerste heeft verbaasd.
Sommige burgers hebben, indien ze aan een aantal criteria voldoen, recht op een vermindering van 25 procent op hun onroerende voorheffing wegens bescheiden woning. Die voorwaarden staan in artikel 260 van het Wetboek Inkomensbelastingen. Volgens dit artikel kan, indien de in artikel 257, 1°, vermelde grens van 745 euro wordt overschreden, een vermindering van 25 procent toch behouden blijven zolang de belastingplichtige, en bij uitbreiding diens huwelijksgemeenschap, aan een aantal voorwaarden voldoet. Zo moet hij vóór het aanslagjaar 1979 van die vermindering hebben genoten. Hij moet zijn eigen woning volledig en onafgebroken zijn blijven betrekken. Zijn kadastraal inkomen mag niet meer bedragen dan 992 euro. Hij mag ook geen onroerende goederen of delen ervan hebben verworven, hetzij door aankoop, hetzij door erfenis, ook al zijn die onroerende goederen ondertussen vervreemd. Met dat laatste hebben we de poppen aan het dansen. Bovendien mag het overschrijden van de grens van 745 euro uitsluitend het gevolg zijn van de algemene perequatie van de kadastrale inkomens, van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1980.
Het niet meer voldoen aan een van deze voorwaarden betekent de definitieve stopzetting van het recht op de vermindering. Minister, de jongste tijd krijg ik er wel eens melding van dat personen, vaak gepensioneerden, die vermindering wegens bescheiden woning verliezen door een erfenis. In heel veel van die gevallen is dat een mededeelname in een erfenis, waardoor de waarde van die erfenis eigenlijk absoluut niet in verhouding staat tot het verlies dat ze nadien leiden omdat ze die vermindering voor een bescheiden woning verliezen. Dat lijkt me een fundamentele oneerlijkheid.
Minister, is deze problematiek u bekend? Hoe staat u tegenover deze situatie? Dringen aanpassingen zich op? Wordt of werd deze discriminatie mee in overweging genomen door de studiecommissie Gewestbelastingen? Wat is desgevallend de stand van zaken?
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Voorzitter, mevrouw Deckx, deze situatie is me bekend, maar ik moet u wel zeggen dat mijn Vlaamse Belastingdienst volledig in overeenstemming met de wet handelt. Het gaat hier om een overgangsmaatregel van een wet van 1979. Dat wil ik even duidelijk stellen. Op dat moment werd er een perequatie gedaan van het kadastraal inkomen, waardoor er mensen waren die boven een bepaalde grens vielen. Voor die mensen werd in een overgangsmaatregel voorzien. Artikel 260 bepaalt strikte voorwaarden om gebruik te kunnen maken van die overgangsmaatregel. Het gaat over het behoud van een vermindering voor een bescheiden woning. Men wou die enkel waarborgen voor diegenen die er recht op hadden in 1979, en dat zolang er geen wijziging was aan hun toestand. Op dat moment was de bedoeling dus te verhinderen dat dit voor die mensen in 1979 tot pech zou leiden. De perequatie bracht hen in een nieuwe toestand, en daardoor werd besloten een aantal gevallen met de mantel der liefde te bedekken. Als iemand echter niet meer voldoet aan een van die voorwaarden, dan geldt de overgangsmaatregel niet meer en valt de vermindering definitief weg. Dat wordt uitdrukkelijk gezegd. U hebt die voorwaarden geschetst.
Meer nog, het Hof van Cassatie oordeelde dat artikel 260 zo moet worden geïnterpreteerd dat, zodra niet is voldaan aan een van de voorwaarden, de belastingplichtige het voordeel van de overgangsmaatregel definitief en onherroepelijk verliest. Het hof stelde ook dat, indien de belastingplichtige ook maar eenmaal niet voldoet aan de voorwaarden, hij definitief het recht op vermindering verliest.
Aangezien de werkwijze van de Vlaamse Belastingdienst volledig in overeenstemming is met de wetgeving en met de interpretatie van het hoogste rechtscollege, dringen aanpassingen zich wat mij betreft niet op. Ik moet nogmaals opmerken dat het een overgangsmaatregel is die ondertussen als dertig jaar van toepassing is. De belastingplichtigen die van de overgangsmaatregel konden genieten, krijgen dus - nu soms al dertig jaar lang - een vermindering waarvan andere belastingplichtigen met een even groot kadastraal inkomen, geschat op basis van de waarderingregels, niet kunnen genieten. Ik meen dan ook dat een strikte interpretatie van de overgangsregeling zeker geen discriminatie is, en dus ook niet verder moet worden onderzocht.
De voorzitter: In 1979 was Gaston Geens minister van Financiën, de laatste man die heeft gepoogd een kadastrale perequatie door te voeren. Hij was de eerste minister-president van Vlaanderen. 'Wat we zelf doen, doen we beter': dat was Gaston Geens.
Mevrouw Deckx heeft het woord.
Mevrouw Kathleen Deckx: Minister, ik heb begrip voor wat u zegt. Anderzijds blijf ik het oneerlijk vinden dat, wanneer men een zeer kleine erfenis verwerft - ik heb daar wel degelijk informatie over en de diensten zeggen dat ook -, of het nu over 5 of 50.000 of 500.000 euro gaat, men een voordeel wordt ontzegd. Het is dan ook een spijtige zaak dat u oordeelt dit niet te moeten aanpassen. Maar goed, als dat uw eindconclusie is, zal ik dat zo overmaken aan de burgers.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Mevrouw Deckx, ik begrijp uw standpunt. Er zijn al dertig jaar mensen die voor een erfenis niet meer van de overgangsmaatregel gebruik kunnen maken. Dertig jaar geleden werd gezegd dat, als je aan een van de voorwaarden niet meer voldeed, je het definitief kwijt was. Het zou fundamenteel oneerlijk zijn om iedereen die in de afgelopen dertig jaar niet meer voldeed aan de overgangsmaatregel die is goedgekeurd, nu te confronteren met een nieuwe wijziging. Dat ga ik niet doen. Het zou fundamenteel oneerlijk zijn voor de mensen die in die dertig jaar in dezelfde situatie zouden hebben verkeerd.
De voorzitter: De vraag om uitleg is afgehandeld.
