Parlementaire vraag nr. 15 van mevrouw Van de Casteele van 01.09.1999

VRAAG 99/015

Vraag nr. 15 van mevrouw Van de Casteele dd. 01.09.1999
BTW-Revue nr. 146, blz. 231


Vr. en Antw., Kamer, 1999-2000, nr. 16, blz. 1772-1775

Bull. Bel., nr. 803, 614

Verdoken meerwinsten - Geheime commissielonen

VRAAG

1. Heeft de recente wetswijziging die bepaalt dat "verdoken meerwinsten", die niet in het vermogen van een vennootschap worden teruggevonden, aan de bijzondere aanslag van 309 % onderworpen zijn, invloed op de mogelijkheid om die winsten na de vaststelling van de belastingdienst:

a) aan de bestuurder e.d. toe te kennen en aldus met diens akkoord te boeken? Moeten in dat geval nog aanvullende fiches 281 en opgaven 325 worden opgemaakt, niettegenstaande de toekenning reeds aan de Administratie bekend is;

b) aan de verkrijger aan te rekenen en in haar boekhouding op te nemen, en in haar fiscale toestand van het onderzochte jaar en onzichtbare reserve aan haar belastbaar inkomen toe te voegen?


2. Wat is de precieze omschrijving van de term "meerwinst"?


3. Op welk ogenblik moeten die "meerwinsten" in het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden om niet aan de bijzondere aanslag van 309 % onderworpen te zijn?

4.
a) Wat gebeurt er inzake vennootschapsbelasting met de BTW, die volgens Com.IB 92, 24/24, in de "meerwinst" wordt begrepen?

b) Is die BTW dan aftrekbaar van de gewoon belastbare winst, of wordt de bijzondere aanslag van 309 % dan herzien?


c) Welke procedure moet de belastingplichtige volgen?


ANTWOORD

Het geachte lid gelieve hierna het antwoord op de door haar gestelde vragen te vinden.

1. De wijzigingen die de wet van 4 mei 1999 houdende diverse fiscale bepalingen heeft aangebracht aan artikel 219 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), waardoor de in dat artikel bedoelde afzonderlijke aanslag uitdrukkelijk van toepassing wordt verklaard op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden, doen geen afbreuk aan de onderrichtingen vermeld in het nr. 219/ 3, 4°, van de administratieve commentaar op het voormelde wetboek, luidens dewelke de afzonderlijke aanslag niet van toepassing is voor zover de verdoken meerwinsten:

  • ofwel als beroepsinkomsten van de betrokken bedrijfsleiders worden belast, wanneer die bedrijfsleiders zich individueel schriftelijk akkoord hebben verklaard met het belasten, in hun hoofde, van die verdoken meerwinsten als beroepsinkomsten (uiteraard moet die akkoordverklaring van de betrokken bedrijfsleiders gebeuren op een ogenblik waarop het nog mogelijk is die toekenningen binnen de wettelijke termijnen te belasten);
  • ofwel, door aanpassing van de boekhouding, in het vermogen van de vennootschap worden uitgedrukt.
In het eerstgenoemde geval blijft de vennootschap ertoe gehouden om, met toepassing van artikel 57, WIB 92, zelf de nodige aanvullende of verbeterende fiches 281.20 en de opgave 325.20 op te maken.

Evenwel zal, gelet op het bijzondere karakter van de gegeven omstandigheden inzonderheid de schriftelijke individuele akkoordverklaringen van de betrokken bedrijfsleider(s), de taxatieambtenaar die met het onderzoek van de fiscale toestand van de vennootschap is belast, zelf die aanvullende of verbeterende fiches 281.20 opmaken en (zo nodig met de passende verduidelijkingen) doorsturen aan de diensten die bevoegd zijn voor de taxatie van de verkrijgers.

2. Onder verdoken meerwinst moet worden verstaan de door de Administratie vastgestelde winsten (eventueel op basis van de artikelen 340 en 342, WIB 92) die niet begrepen zijn in het boekhoudkundig resultaat van de vennootschap en derhalve evenmin onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden. Inzonderheid betreft het de omzet die een onderneming in het zwart heeft gerealiseerd. Als verdoken meerwinsten worden uiteraard niet aangemerkt, de reserves bedoeld in artikel 24, eerste lid, 2° tot 4°, WIB 92 (artikel 219, derde lid, WIB 92).

3. In de huidige stand van zaken aanvaardt de Administratie dat de hiervoor vermelde aanpassing van de boekhouding (door een boeking als inkomen van de vennootschap) gebeurt na de afsluiting van het boekjaar en zelfs nadat het bestaan van de verdoken meerwinsten door de taxatiediensten wordt vastgesteld, voor zover die boeking plaatsvindt binnen de wettelijke aanslagtermijnen (zie dienaangaande ook de parlementaire vraag nr. 119 van 19 september 1996 gesteld door senator Anciaux - Vragen en Antwoorden, Senaat, 1996-1997, nr. 1-32, blz. 1582- 1583).

4. Zoals is vermeld in de door het geachte lid aangehaalde passage van voormelde commentaar, moet wanneer wordt vastgesteld dat aan de BTW onderworpen leveringen van goederen of diensten niet werden aangegeven in de regel worden aangenomen dat de belastingplichtige boven het bedrag van die leveringen, eveneens de normaal daarop verschuldigde BTW aan zijn klanten heeft aangerekend. Dit houdt in dat de verdoken meerwinsten die aan de afzonderlijke aanslag in de vennootschapsbelasting worden onderworpen, eveneens de BTW omvatten die, rekening houdend met het toepasselijke tarief, wettelijk op die leveringen of diensten is verschuldigd. Hiervan mag slechts worden afgeweken wanneer de belastingplichtige het bewijs levert dat de normaal verschuldigde BTW geheel of gedeeltelijk niet werd aangerekend aan zijn klanten of wanneer het, gelet op de voorhanden zijnde feitelijke gegevens, als vaststaand kan worden aangenomen dat die aanrekening niet gebeurde.

De BTW die achteraf op de niet-aangegeven leveringen of diensten door de Administratie zou worden geëist of die, ingevolge de gedane vaststelling, spontaan in een BTW-aangifte zou worden opgenomen, vormt een beroepskost die aftrekbaar is van de gewone winst voor het belastbare tijdperk waarin ze wordt betaald of het karakter heeft verworven van een zekere en vaststaande schuld en als dusdanig is geboekt (nr. 53/88, tweede lid, van voormelde commentaar).