Parlementaire vraag nr. 836 van de heer Hendrickx van 21.11.2001

VRAAG 01/836
Bull. nr. 832, pag. 3601-3605
Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 125, blz. 15716-15719
Voorafbetalingen
VRAAG
De rechtszekerheid, het behoorlijk bestuur, het opgewekt vertrouwen, de openbaarheid van bestuur en de motiveringsplicht zijn heilige principes die zowel gelden voor de administratie als voor de belastingplichtigen.
De fiscus heeft geen rechten, de belastingplichtige geen plichten. In ons land heeft de fiscus alleen die rechten die hem door de wetten zijn toegemeten. De belastingplichtige is tot niets anders verplicht dan wat de wet hem beveelt. Onze fiscus heeft zelfs een uitzonderlijke plicht, namelijk de plicht van "zorgvuldigheid ", die hij moet naleven in al zijn betrekkingen met de belastingplichtige. Die plicht is niet wederkerig : de belastingplichtige moet dus niet meer zorgvuldigheid aan de dag leggen dan hem door de wet wordt opgelegd.
Iedere belastingplichtige heeft het recht om de minst belaste weg te bewandelen en mag hierbij gebruik maken van allerlei juridische constructies, voor zover hij er alle gevolgen van aanvaardt en geen wettelijke verplichtingen schendt.
De ambtenaren worden aangesteld om de belastingplichtigen te dienen en bij te staan en hen te beschermen.
De artikelen 10 en 11 van de Grondwet doorkruisen het WIB 1992 (openbare orde). De niet-naleving heeft als sanctie de nietigheid van de aanslag.
1. Bent u de mening toegedaan dat elke vennootschap met een belastbaar resultaat voorafbetalingen moet doen?
2. Bent u de mening toegedaan dat, indien achteraf blijkt dat die voorafbetalingen onvoldoende zijn, de vennootschap daarvoor beboet wordt?
3. Bent u de mening toegedaan dat elke vennootschap die een belastbaar resultaat eventueel zal halen, zijn voorafbetalingen correct dient te ramen?
4. Bent u de mening toegedaan dat dit geen sinecure is?
5. Bent u de mening toegedaan dat bij het begin van de vierde maand van een normaal boekjaar de ondernemer reeds correct moet weten welke de winst wordt voor het volledige boekjaar?
6. Bent u de mening toegedaan dat dit geen "toverwerk" is?
7. Bent u de mening toegedaan dat via het toekennen van een winstaandeel of een tantième deze boete vermeden wordt?
8. Is het juist dat de vennootschappen die per kalenderjaar boekhouden, vier gelegenheden krijgen om aan voorafbetalingen te doen, namelijk uiterlijk op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december van elk boekjaar?
9. Is het juist dat om een verhoging wegens onvoldoende voorafbetalingen te ontlopen, de vennootschap de verschuldigde belasting over het boekjaar netjes moet betalen in vier keer?
10. Is het juist te stellen dat de onderneming dus op 10 april 2001 moet weten welke zijn volledige winst wordt over het boekjaar 2001?
11. Bent u de mening toegedaan dat de vennootschap daarop dan de verschuldigde vennootschapsbelasting moet berekenen en telkens een vierde dient te betalen op de vermelde data?
12. Bent u de mening toegedaan dat dit een aanvaardbaar systeem is?
13. Op welke wettelijke juris de jure zekerheid baseert de overheid zich om als een niet te missen zekerheid te stellen dat ook de onderneming reeds op 10 april met een onfeilbare zekerheid weet welke de belastbare winst zal zijn van de vennootschap op het einde van het boekjaar?
14. Bent u de mening toegedaan dat de administratie ten dienste staat van de belastingplichtigen?
15. Bent u de mening toegedaan dat de administratie de plicht heeft en strafbaar is indien deze plicht niet nageleefd wordt, om indien de vennootschap aan deze administratie vraagt welke winst zijn vennootschap volgens de administratie moet aangeven dit weigert mee te delen?
16. Welke formule gebruikt de administratie om met zekerheid te stellen dat een vennootschap al dan niet de juiste winsten berekend heeft op 10 april?
17. Is het juist te stellen dat, indien de administratie geen sluitende formule heeft voor de onfeilbare vaststelling van de winst op 10 april, ook de belastingplichtige geen onfeilbare toverformule bezit om deze winst juist te berekenen en op basis van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet beboet mag worden?
18. Bent u de mening toegedaan dat "in dubio contra fiscum" van toepassing is?
ANTWOORD
Vooreerst wens ik het geachte lid erop te wijzen dat de wettelijke bepalingen die inzake voorafbetalingen van toepassing zijn voor inzonderheid aan de vennootschapsbelasting onderworpen binnenlandse vennootschappen zijn opgenomen in de artikelen 157 tot 168, 218, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992) en de artikelen 64 tot 71, 139, § 3, en 142, §1, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992. In tegenstelling tot wat het geachte lid blijkbaar meent te moeten veronderstellen wordt de vermeerdering ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan wettelijk geregeld.
Teneinde alle betrokken belastingplichtigen, waaronder de (binnenlandse) vennootschappen, tijdig en optimaal te informeren over desbetreffende materie wordt daarenboven door de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit jaarlijks een officieel bericht opgesteld dat bij de dienst "Voorafbetalingen " kan worden verkregen en dat bovendien gepubliceerd wordt in het Belgisch Staatsblad. Wat betreft de voorafbetalingen voor het aanslagjaar 2002 werd desbetreffend bericht gepubliceerd op 4 april 2001. Bijgevolg worden de betrokken belastingplichtigen op een correcte en afdoende wijze ingelicht omtrent de voorafbetalingen die eventueel zullen moeten worden verricht.
Om op algemeen vlak te antwoorden op de door het geachte lid gestelde vragen kan in het bijzonder het volgende worden meegedeeld. In beginsel wordt de vennootschapsbelasting met een bepaald percentage vermeerderd. Niettemin moeten, om een belastingvermeerdering te vermijden, de betrokken vennootschappen de belasting voorafbetalen die betrekking heeft op hun inkomsten.
In voormeld bericht wordt door de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit uiteengezet op welke wijze het bedrag van de voorafbetalingen, dat ieder kwartaal dient te worden gestort, kan worden geraamd. Dienaangaande kan ik aan het geachte lid bevestigen dat voor vennootschappen die per kalenderjaar boekhouden de voorafbetalingen voor het aanslagjaar 2002 dienen te gebeuren uiterlijk in principe op 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december 2001. In voormeld bericht wordt uitdrukkelijk meegedeeld dat de betrokken vennootschap naar eigen goeddunken een andere verdeling voor haar stortingen mag kiezen. Ik wens bovendien de aandacht van het geachte lid te vestigen op het feit dat, enerzijds, de betrokken vennootschap niet verplicht kan worden tot het storten van voorafbetalingen wat evenwel in beginsel tot een vermeerdering van de belasting zal leiden en, anderzijds, de administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit er in geen enkel geval van uitgaat dat de betrokken vennootschap op enig ogenblik met een onfeilbare zekerheid weet wat de belastbare winst is of zal zijn van de vennootschap op het einde van een bepaald boekjaar. Gelet op hetgeen voorafgaat is de stelling die door het geachte lid in zijn laatste vraag wordt aangehaald hier dan ook irrelevant.