Parlementaire vraag nr. 456 van de heer Bourgeois van 13.06.1996
VRAAG 96/456
Bull. nr. 765, pag. 2380
Afschrijving van kunstwerken.
In de administratieve commentaar bij het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 worden onder nr. 61/233 de regels weergegeven voor de afschrijving van half-verheven en verheven beeldhouwwerken, fresco's, beelden en andere kunstwerken, uitgevoerd door in België verblijvende kunstenaars en ingewerkt in op te richten ondernemingsgebouwen.
De aanschaffingsprijs mag in één of meer malen worden afgeschreven tot beloop van 2 % van de aanschaffingswaarde van het beroepsgedeelte van het nijverheids- of handelsgebouw waarin ze zijn ingewerkt. In geval de aanschaffingsprijs van het kunstwerk die quoriteit van 2 % overtreft, wordt het overschot onderworpen aan hetzelfde afschrijvingsstelsel als het gebouw. Volgens de administratieve commentaar worden voormelde afschrijvingsregels slechts aanvaard met betrekking tot kunstwerken die worden ingewerkt in op te richten of geheel her op te richten gebouwen, met uitsluiting van bijvoorbeeld gewone schilderijen, wandtapijten, enz. Het gebeurt veelal dat sommige gebouwen na hun oprichting, herinrichting of uitbreiding opgesmukt of verrijkt worden met een kunstwerk dat bedoeld wordt een integrerend deel te zullen uitmaken van het gebouw waarin het aangebracht wordt en er een vaste plaats krijgt, onder andere omdat de nodige fondsen voor de aanschaf van kunstwerken pas later beschikbaar worden.
Het is moeilijk denkbaar dat voor deze kunstwerken geen afschrijvingen zouden worden toegelaten - waarvan de aanschaf al of niet kan afhangen - om de enkele reden dat ze pas na de in gebruik name van de gebouwen waarin ze ondergebracht worden, aangeschaft werden, of na de uitbreiding van hetzelfde gebouwencomplex dan wel na de vrijmaking van de nodige fondsen.
Zijn voormelde afschrijvingsrichtlijnen eveneens toepasselijk voor kunstwerken die bijvoorbeeld pas na de in gebruik name van het gebouw waarvoor ze bestemd zijn, of na de herinrichting of uitbreiding ervan, aangekocht en aangebracht worden ?
ANTWOORD
De in nr. 61/233 van de administratieve commentaar op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vermelde bijzondere afschrijvingsregels gelden uitsluitend voor kunstwerken die worden ingewerkt in op te richten of geheel her op te richten ondernemingsgebouwen.
Kunstwerken die in bestaande ondernemingsgebouwen worden ingewerkt, mogen, mits ze een integrerend deel van die gebouwen uitmaken, volgens de gewone regels worden afgeschreven, dit is in de mate dat ze tijdens het jaar of boekjaar werkelijk een waardevermindering hebben ondergaan ingevolge de uitoefening van de beroepswerkzaamheid.
Wat tenslotte de kunstvoorwerpen (schilderijen, beeldhouwwerken, enz.) betreft die geen integrerend deel uitmaken van de lokalen waarin ze zijn geplaatst, gelden de regels die zijn uiteengezet in nr. 61/58 van de voormelde commentaar.
Bron: FisconetPlus
