Parlementaire vraag nr. 1727 van de heer Roel Deseyn van 10.07.2017

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2016-2017, QRVA 54/137 dd. 28.11.2017, blz. 365

Multilateraal Akkoord

VRAAG (van de heer Deseyn)

Recentelijk heeft België het Multilateraal Akkoord van de Organisatie voor de Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) met betrekking tot de invoering van de BEPS-minimumstandaarden voor wat betreft de dubbelbelastingverdragen goedgekeurd. Ons land heeft echter verschillende notificaties doorgestuurd, enkele voorbehouden gesteld en bepaalde keuzes gemaakt. Het zou goed zijn mocht u op elk van die notificaties, voorbehouden en keuzes een omstandige verantwoording geven, waarom dit is beslist.

1. Kan u verklaren waarom verschillende notificaties werden gegeven?

2. Kan u verklaren waarom volgende voorbehouden werden gemaakt?

a) Article 4 - Dual Resident Entities Reservation: "Pursuant to Article 4(3)(a) of the Convention, Belgium reserves the right for the entirety of Article 4 not to apply to its Covered Tax Agreements." (p. 15).

b) Article 9 - Capital Gains from Alienation of Shares or Interests of Entities Deriving their Value Principally from Immovable Property Reservation: "Pursuant to Article 9(6)(b) of the Convention, Belgium reserves the right for Article 9(1)(a) not to apply to its Covered Tax Agreements." (p. 30).

c) Article 10 - Anti-abuse Rule for Permanent Establishments Situated in Third Jurisdictions Reservation: "Pursuant to Article 10(5)(a) of the Convention, Belgium reserves the right for the entirety of Article 10 not to apply to its Covered Tax Agreements." (p. 31).

d) Article 12 - Artificial Avoidance of Permanent Establishment Status through Commissionnaire Arrangements

and Similar Strategies Reservation: "Pursuant to Article 12(4) of the Convention, Belgium reserves the right for the entirety of Article 12 not to apply to its Covered Tax Agreements." (p. 33).

e) Article 14 - Splitting-up of Contracts Reservation:"Pursuant to Article 14(3)(a) of the Convention, Belgium reserves the right for the entirety of Article 14 not to apply to its Covered Tax Agreements." (p. 37).

f) Article 19 - Mandatory Binding Arbitration Reservation:"Pursuant to Article 19(12) of the Convention, Belgium reserves the right for the following rules to apply with respect to its Covered Tax Agreements notwithstanding the other provisions of Article 19." (p. 52).

g) Article 24 - Reservation: "Pursuant to Article 24(3) of the Convention, Belgium reserves the right for Article 24(2) to apply only with respect to its Covered Tax Agreements for which Article 23(2) applies." (p. 52).

h) Article 26 - Compatibility Reservation: "Pursuant to Article 26(4) of the Convention, Belgium reserves the right for Part VI not to apply with respect to the following agreements that already provide for mandatory binding arbitration of unresolved issues arising from a mutual agreement procedure case. The article and paragraph number of each such provision is identified below."( p. 52).

3. Kan u verklaren waarom volgende keuzes werden gemaakt?

a) Article 6 - Purpose of a Covered Tax Agreement Notification of Choice of Optional Provisions: "Pursuant to Article 6(6) of the Convention, Belgium hereby chooses to apply Article 6(3)." (p. 16).

b) Article 7 - Prevention of Treaty Abuse Notification of Choice of Optional Provisions: "Pursuant to Article 7(17)(b) of the Convention, Belgium hereby chooses to apply Article 7(4)." (p. 25).

c) Article 13 - Artificial Avoidance of Permanent Establishment Status through the Specific Activity Exemptions Notification of Choice of Optional Provisions: "Pursuant to Article 13(7) of the Convention, Belgium hereby chooses to apply Option B under Article 13(1)." (p. 34).

d) Article 18 - Choice to Apply Part VI Notification of Choice of Optional Provisions: "Pursuant to Article 18 of the Convention, Belgium hereby chooses to apply Part VI." (p. 52).

e) Article 24 - Agreement on a Different Resolution Notification of Choice of Optional Provisions: "Pursuant to Article 24(1) of the Convention, Belgium hereby chooses to apply Article 24(2)." (p. 52).

ANTWOORD (van de Minister van Financiën)

De Multilaterale overeenkomst ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving (hierna "het Multilateraal instrument"), dat op 7 juni 2017 ondertekend werd te Parijs, moet de Staten de mogelijkheid bieden om de verdragsbepalingen die voortvloeien uit het BEPS-project van de OESO en de G20 op te nemen in hun netwerk van belastingverdragen zonder elk verdrag afzonderlijk opnieuw te moeten heronderhandelen. Voornoemd Multilateraal instrument laat ruimte voor enige flexibiliteit, in de zin dat het de Partijen toelaat om, afhankelijk van hun verdragsbeleid en hun bestaande belastingverdragen, voorbehoud te maken tegen bepalingen die ze niet in hun bilaterale verdragen wensen op te nemen, om een keuze te maken tussen alternatieve bepalingen of om te opteren voor facultatieve bepalingen. De opties en voorbehouden die worden geformuleerd en de notificaties die worden verstuurd op het tijdstip van de ondertekening, moeten bevestigd worden bij de neerlegging van de akte van bekrachtiging. Alle ondertekenaars van het Multilateraal instrument hebben gebruik gemaakt van deze flexibele regeling. Zoals alle door België gesloten verdragen zal ook het Multilateraal instrument ter instemming van het Parlement worden voorgelegd. De door België gemaakte keuzes zullen in de memorie bij het ontwerp van instemmingswet in detail worden toegelicht. In antwoord op zijn vragen kan het geachte lid hierna een kort overzicht vinden van de voornaamste redenen die aan de basis liggen van die keuzes.

1. De door België opgegeven notificaties:

De ondertekenaars moeten de lijst opgeven met hun verdragen die ze door middel van het Multilateraal instrument wensen te wijzigen (de beoogde belastingverdragen). België heeft al zijn bestaande verdragen in deze lijst opgenomen, met uitzondering van de in 2016 ondertekende Overeenkomst met Japan, die reeds rekening houdt met de resultaten van het BEPS-project, en van enkele overeenkomsten die momenteel of binnenkort worden heronderhandeld (het gaat om de overeenkomsten met Duitsland, Nederland, Noorwegen en Zwitserland). Bovendien moeten de ondertekenaars voor elk artikel van het Multilateraal instrument notificeren welke van de belastingverdragen worden beoogd en, in voorkomend geval, welke specifieke bepalingen van elk van die verdragen zullen worden gewijzigd, en welke van de beoogde verdragen binnen het toepassingsgebied van een voorbehoud vallen en dus niet zullen worden gewijzigd. Het doel van die notificaties is om zo nauwkeurig mogelijk aan te geven welke bepalingen van de belastingverdragen al dan niet gewijzigd zullen worden door het Multilateraal instrument.

2. De door België gemaakte voorbehouden:

a) Net zoals meer dan de helft van de ondertekenaars heeft ook België besloten om artikel 4 van het Multilateraal instrument niet toe te passen. Deze nieuwe regel, die moet dienen om gevallen van dubbele woonplaats met betrekking tot vennootschappen en andere verenigingen van personen op te lossen, biedt enerzijds geen enkele garantie dat die gevallen daadwerkelijk zullen worden opgelost en verleent anderzijds een te grote discretionaire bevoegdheid aan de bevoegde autoriteiten om al dan niet verdragsvoordelen toe te kennen wanneer die autoriteiten er niet in slagen om tot onderlinge overeenstemming te komen over éénzelfde woonstaat.

b) Artikel 9 (1) van het Multilateraal instrument wijzigt de verdragsbepalingen die overeenkomen met die van artikel 13 (4) van het OESO-model (dat betrekking heeft op de belasting van meerwaarden op aandelen van vennootschappen die in hoofdzaak investeren in onroerende goederen) om de mechanismen tegen te gaan die het mogelijk maken om aan de toepassing van die bepalingen te ontsnappen. België heeft voorbehoud gemaakt tegen artikel 13 (4) van het OESO-model, dat in amper een kwart van zijn verdragen voorkomt. De wijziging die door artikel 9 (1) (a) van het Multilateraal instrument wordt aangebracht, werd dus niet nuttig geacht, temeer omdat ze mogelijk tot problemen van dubbele belasting kan leiden.

c) Artikel 10 van het Multilateraal instrument bevat een nieuwe regel die de bronstaat in bepaalde omstandigheden toestaat om de verdragsvoordelen te weigeren met betrekking tot een inkomensbestanddeel dat toegerekend wordt aan een vaste inrichting die in een derde Staat gevestigd is wanneer de woonstaat van de onderneming de winst van die vaste inrichting vrijstelt, en het desbetreffende inkomensbestanddeel in de Staat waar de vaste inrichting gevestigd is onderworpen is aan een belasting die minder bedraagt dan 60 % van de belasting die in de woonstaat van de onderneming zou geheven worden. Rekening houdend met het hoge tarief van de Belgische vennootschapsbelasting zou deze regel de Belgische ondernemingen die een vaste inrichting in het buitenland hebben, kunnen benadelen.

d) Artikel 12 van het Multilateraal instrument breidt de definitie uit van de "personele" vaste inrichting teneinde een Staat de mogelijkheid te bieden om de winst te belasten die een buitenlandse onderneming behaalt uit verkoopactiviteiten die op zijn grondgebied uitgeoefend worden, meer bepaald met behulp van een verbonden onderneming die namens de buitenlandse onderneming optreedt in het kader van een contract van commissionair. Tot op heden kon er evenwel nog geen consensus worden bereikt over de winst die kan toegerekend worden aan een uit die uitbreiding ontstane vaste inrichting. Zoals meer dan de helft van de ondertekenaars van het Multilateraal instrument heeft België er dan ook voor gekozen om een voorbehoud te maken tegen deze bepaling.

e) Artikel 14 van het Multilateraal instrument beoogt de misbruiken die bestaan in het kunstmatig splitsen van bouwcontracten tussen twee of meer verbonden ondernemingen om zodoende te vermijden dat de drempel (meestal 12 maanden) overschreden wordt boven dewelke een plaats van uitvoering van een bouwwerk een vaste inrichting vormt. Dit soort van misbruik kan ook worden bestreden met de zogenaamde Principal Purpose Test-bepaling (of kortweg PPT-bepaling) die is opgenomen in artikel 7 (1) van het Multilateraal instrument en waarvoor België heeft geopteerd. Bovendien voorziet artikel 229, § 2/2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 in de toepassing van een soortgelijke regel. Artikel 14 van het Multilateraal instrument wordt dus geacht niet nodig te zijn voor België, temeer omdat de bepaling van paragraaf 1 van dat artikel, gelet op het automatisch karakter ervan, ook van toepassing zou kunnen zijn op situaties waarbij er geen sprake is van misbruik.

Voor de punten f), g) en h) wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3 (d).

Er moet op gewezen worden dat een Partij op grond van artikel 28 (9) van het Multilateraal instrument een gemaakt voorbehoud te allen tijde mag intrekken of vervangen door een voorbehoud met een beperktere draagwijdte. Het is daarentegen doorgaans niet mogelijk om een nieuw voorbehoud te maken na de neerlegging van de akte van bekrachtiging.

3. a) De werkzaamheden rond actiepunt 6 van het BEPS project (Voorkomen van het misbruik van de belastingverdragen) hebben een nieuwe preambule toegevoegd aan het OESO-model. In die nieuwe preambule wordt gepreciseerd dat het doel van een belastingverdrag bestaat uit het vermijden van dubbele belasting, maar zonder daarbij mogelijkheden te scheppen tot niet-heffing of verminderde heffing van belasting door middel van het ontwijken of het ontduiken van belasting. Die preambule is een onderdeel van de minimumstandaard met betrekking tot actiepunt 6. Alle deelnemers aan het BEPS-project zijn de verbintenis aangegaan om die minimumstandaard toe te passen. Zij wordt aan de beoogde belastingverdragen toegevoegd door artikel 6 (1) van het Multilateraal instrument en er is geen enkel voorbehoud toegestaan.

De nieuwe preambule van het OESO-model heeft het ook over "de wil van de overeenkomstsluitende Staten om hun economische betrekkingen verder te ontwikkelen en hun samenwerking op belastinggebied te verbeteren". Dit deel van de preambule maakt geen deel uit van de minimumstandaard. Het zal enkel in een belastingverdrag ingevoegd worden wanneer beide overeenkomstsluitende Staten daarvoor opteren op grond van artikel 6 (6) van het Multilateraal instrument. Overwegende dat het verder ontwikkelen van de economische betrekkingen en het verbeteren van de samenwerking op belastinggebied ook tot de belangrijke doelstellingen van een belastingverdrag behoren, heeft België daarvoor geopteerd.

b) België heeft ervoor gekozen om artikel 7 (4) van het Multilateraal instrument toe te passen. Ook die facultatieve bepaling is het resultaat van de werkzaamheden rond actiepunt 6 van het BEPS-project en wordt toegevoegd aan de zogenaamde PPT-bepaling" die voorkomt in artikel 7 (1) en die eveneens een onderdeel is van de minimumstandaard met betrekking tot actiepunt 6. Wanneer een belastingplichtige een verdragsvoordeel geweigerd wordt op grond van de PPT-bepaling (dit wil zeggen, omdat redelijkerwijs kon aangenomen worden dat het toekennen van dat voordeel een van de voornaamste doelstellingen was van een constructie of transactie die tot dat voordeel geleid heeft), laat artikel 7 (4) niettemin toe om hem het voordeel toe te kennen waarop hij in elk geval recht zou gehad hebben wanneer die constructie of die transactie er niet geweest was. Die bepaling is geen onderdeel van de minimumstandaard. Ze is slechts van toepassing op de beoogde belastingverdragen wanneer ook de partnerstaat ervoor opteert .

c) Artikel 5 (4) van de op het OESO-model gebaseerde verdragen voorziet in een aantal uitzonderingen op de definitie van vaste inrichting, in de zin dat een vaste bedrijfsinrichting geen vaste inrichting is wanneer ze uitsluitend gebruikt wordt voor de uitoefening van bepaalde activiteiten (bijvoorbeeld de opslag of uitstalling van goederen of koopwaar). De werkzaamheden rond actiepunt 7 van het BEPS-project (voorkomen van maatregelen die de kunstmatige ontwijking van de kwalificatie als vaste inrichting tot doel hebben) hebben die bepaling in die zin gewijzigd dat de uitzonderingen slechts van toepassing zijn op de uitdrukkelijke voorwaarde dat de door de bepaling beoogde activiteiten van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben.

Dit is optie A, die opgenomen is in artikel 13 (2) van het Multilateraal instrument. Het rapport over actiepunt 7 voorziet evenwel in een alternatieve bepaling op grond waarvan, zoals in het huidige OESO-model, de uitzondering automatisch van toepassing is op de specifiek vermelde activiteiten, terwijl ze slechts geldt voor de niet specifiek vermelde activiteiten wanneer deze van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben. Dit is optie B, die opgenomen is in artikel 13 (3) van het Multilateraal instrument. België heeft voor optie B gekozen omdat het van oordeel is dat sommige activiteiten van nature van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben. Bovendien loopt de manier waarop de belastingadministraties de uitdrukking "van voorbereidende aard of hulpwerkzaamheden" interpreteren vrij sterk uiteen en is er momenteel geen consensus aangaande de winst die moeten toegerekend worden aan de nieuwe vaste inrichtingen die zouden onstaan uit de toepassing van optie A.

d) en e) België heeft ervoor gekozen om deel VI van het Multilateraal instrument toe te passen. Dat deel VI voorziet in een arbitrageclausule om de gevallen te regelen waarbij de bevoegde autoriteiten er niet in slagen om binnen een bepaalde termijn tot een oplossing te komen in het kader van de procedure voor onderling overleg. Die keuze is in overeenstemming met het verdragsbeleid dat België de laatste tien jaar gevoerd heeft. Het Belgisch standaardmodel van overeenkomst bevat trouwens een verplichte en bindende arbitrageclausule en ook verschillende verdragen die België onlangs heeft gesloten of heronderhandeld bevatten een dergelijke clausule (bijvoorbeeld de Overeenkomsten met het Verenigd Koninkrijk en met Polen). Deel VI is evenwel alleen van toepassing wanneer de partner eveneens hiervoor opteert. Met betrekking tot die arbitrageclausule heeft België de volgende voorbehouden gemaakt en opties gekozen. Vermits de Belgische bevoegde autoriteit niet gemachtigd is om af te wijken van een rechterlijke beslissing die in het voordeel van de belastingplichtige is, laat het in artikel 19 (12) bedoelde voorbehoud toe om een geval niet aan arbitrage voor te leggen (of om een lopende procedure te beëindigen) wanneer daaromtrent een beslissing werd uitgesproken door een rechtbank. Het in artikel 26 bedoelde voorbehoud laat België toe om deel VI van het Multilateraal instrument enkel toe te passen op zijn verdragen die niet reeds in arbitrage voorzien, en dus de bestaande arbitrageclausules - die via bilaterale onderhandelingen werden overeengekomen - te behouden. De in artikel 24 (1) bedoelde keuze en het in artikel 24 (3) bedoelde voorbehoud hebben tot doel om de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid te laten om, onder bepaalde omstandigheden, af te wijken van een beslissing van de arbitragecommissie, op voorwaarde dat ze binnen de drie maanden na die beslissing overeenstemming bereiken over een andere oplossing.