Parlementaire vraag nr. 405 van de heer Borginon van 26.04.1996
VRAAG 96/405
Bull. nr. 764, pag. 2040
Onroerende voorheffing - Vrijstelling - Leasingcontract.
In haar circulaire van 23 maart 1995 (Bulletin der Belastingen, 1995, nr. 749, blz. 1207) geeft de fiscale administratie toelichting bij de vrijstelling van onroerende voorheffing op grond van het decreet van de Vlaamse Raad van 22 december 1993. Op grond van dit decreet wordt de vrijstelling van onroerende voorheffing die kan worden verleend op basis van artikel 253 WIB 1992 ook toegekend als de onroerende goederen het voorwerp zijn van een financiering door middel van een financiële leasing of een huurkoop met uitgestelde eigendomsoverdracht. Het nr. 12 van de aangehaalde circulaire behandelt specifiek deze aangelegenheid. De laatste zin van dat nummer luidt: "De vrijstelling van onroerende voorheffing wordt, naargelang het geval, aan de leasingnemer of aan de verkoper toegekend."
1. Wie is, in het algemeen, volgens de principes van de federale wetgeving, de onroerende voorheffing verschuldigd op een onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een leasingcontract ?
2. Gelden dezelfde principes voor het materieel en de outillage dat in een onderneming gebruikt wordt op grond van een contract van roerende leasing ?
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 251 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 is de onroerende voorheffing verschuldigd door de eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker van de belastbare goederen en dit op basis van de inschrijvingen in de kadastrale legger.
1. Met betrekking tot een onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een leasingovereenkomst wordt, voor zover zij de hoedanigheid van een van de in artikel 251 WIB vermelde personen bezitten, ofwel de leasinggever, ofwel de leasingnemer aangewezen als belastingplichtige in de onroerende voorheffing.
Zo het leasingcontract betrekking heeft op hetzij een geheel van grond en gebouw, hetzij op een gebouw opgericht op een perceel grond van een derde waarop de leasinggever heeft gebouwd krachtens een recht van opstal of een afstand van het recht van natrekking, wordt zolang de aankoopoptie door de leasingnemer niet is uitgevoerd of deze laatste geen enkel zakelijk recht op de geleasde zaak heeft verkregen, de aanslag inzake de onroerende voorheffing gevestigd op naam van de leasinggever.
In het uitzonderlijk geval dat het leasingcontract betrekking heeft op een gebouw, door de leasinggever opgetrokken op een perceel grond waarop hij, volgens de gegevens gekend door de administratie, geen enkel zakelijk recht kan doen gelden, wordt, ingevolge het burgerrechtelijk principe van het recht van natrekking, het gebouw geacht toe te behoren aan de eigenaar van het erf waarop is gebouwd en is laatstgenoemde gehouden tot het betalen van de onroerende voorheffing.
2. Met betrekking tot leasing van roerende goederen zoals het in artikel 471, § 1, WIB gedefinieerd materieel en de outillage kan het antwoord op de vraag wie dienaangaande de onroerende voorheffing is verschuldigd alleen worden bepaald in relatie met het onderzoek van het fiscaal statuut van voormelde goederen.
De geleasde roerende zaak, dienstig voor de uitbaring van een nijverheids-, handels- of ambachtsbedrijf, op duurzame wijze geïncorporeerd:
- hetzij in de grond, in de vorm van een constructie, gebouw of werk;
- hetzij in een constructie derwijze dat het er een geheel mede vormt, dit wil zeggen er een deel van uitmaakt zonder hetwelk het gebouw niet meer volledig of voltooid zou kunnen worden beschouwd;
verkrijgt het karakter van een onroerend goed van nature, aan hetwelk een afzonderlijk kadastraal inkomen wordt toegekend, dat belastbaar wordt gesteld ten name van de belastingplichtige van het erf waarvan de roerende zaak een accessorium vormt.
De geleasde roerende zaak die door de eigenaar van een erf voor de dienst en de exploitatie van dat erf wordt gebruikt, zonder dat er evenwel een onroerendmaking tot stand is gekomen, wordt niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van het KI van het op een perceel geïnstalleerde belastbaar materieel en de outillage en heeft bijgevolg geen invloed op de vestiging van de onroerende voorheffing. Op het ogenblik dat de eigenaar van dit erf evenwel de aankoopoptie betreffende de geleasde zaak licht is er wat het erf en de roerende zaak betreft eenheid van patrimonium en kan er sprake zijn van onroerendmaking door bestemming. Voor zover voldaan is aan de voorwaarden gesteld in eensdeels artikel 471, § 3, lid 2, WIB en anderdeels in artikel 9 van het koninklijk besluit van 17 augustus 1955, betreffende de bewaring van het kadaster en de perceelsgewijze schattingen, geldt op dat ogenblik dezelfde regeling als voor de goederen onroerend uit hun aard.
Bron: FisconetPlus
